F. Beroepskeuze
Ik ben voorbestemd voor de agrarische sector. Tenminste, dat oordeel kwam uit een beroepskeuzetest. Op de lagere school nota bene. Blijkbaar had ik dingen aangekruist die gelieerd zijn aan een werkzaam leven op het platteland. Die voorkeur voor het platteland kwam niet uit de lucht vallen.
Je moet weten dat we in mijn kinderjaren de vakanties voornamelijk doorbrachten bij familie in Leens, een plaatsje gelegen op het Groninger Hogeland. Ik ben Groninger van geboorte, net als mijn beide zussen, vader en moeder, eigenlijk komt mijn hele familie daar vandaan.
We woonden begin jaren 60 als kersvers Vonk-gezinnetje in Delfzijl, alwaar mijn vader een kleine slagerij bestierde. Later verhuisden we naar de Randstad, maar vakanties brachten we steevast door in Leens; vader, moeder en de zussen bij oma, ik bij ome Louwe, tante Ali en de neefjes Laurens, Arie en Bert.
Mijn oma’s huisje lag aan de straat met de fraaie naam ‘Valge’, schuin tegenover de protestantse kerk, de plek waar mijn ouders ooit getrouwd zijn.
Ome Louwe had een loonbedrijf, vanuit het hertenkamp gezien de weg omhoog en dan gelijk naar links. In de schuur stonden diverse tractoren, karren en een gigantische Claas combine. Ik stond als kind van 10 ademloos te kijken hoe mijn oom het korenmonster met veel kabaal naar binnen dirigeerde.
Overdag was er voor mij niet zoveel te beleven. Iedereen was aan het werk, ook mijn neefjes, dus ik verveelde me vaak te pletter. In de lege schuur vond ik hamers, beitels en tangetjes, werktuigen die ik gebruikte om stukken hout te laten voelen wie hier nou eigenlijk de baas was.
Een keer nam m’n oom me mee, koren van het land halen. Ik zat hoog en droog naast hem op de groene dorsmachine. Enorm spannend natuurlijk. Maar ook heel stoffig en warm. Van mij hoefde het niet, die herrie en al dat stof.
Mijn oma was in die dagen ongeveer 75 jaar oud en zat de hele dag als een sfinx op een stoel naast de kachel en kwam alleen in beweging voor het eten en voor de streekbus, die pal voor haar huisje halthield. Dan draaide ze het volgende riedeltje af; ‘ze ziet de bus, staat op, kijkt op de klok en mompelt iets over te laat, te vroeg of op tijd zijn en gaat weer zitten, de handen in de schoot’.
Ik herinner me dat ik als kind naast haar zat en aandachtig naar het schilderij keek dat boven de schouw hing: ‘mannetje met kruiwagen in het bos’, het schilderij dat nu bij mij in de huiskamer hangt. Telkens wanneer ik er naar kijk zie ik ons daar weer samen zitten. Ze zei niet veel, mijn oma, eigenlijk geen woord, maar je wist gewoon dat het een lieve vrouw was. Mijn opa heb ik nooit gekend, maar volgens mijn moeder was dat ook een lieverd. Dat heb ik dus niet van een vreemde.
Wanneer je vanuit mijn oma’s huisje rechtsaf gaat, kom je uit bij de Borg Verhildersum, waar schuin tegenover de singer-songwriter Ede Staal opgroeide. Veel later vertrok hij samen met zijn gezin naar Delfzijl, waar hij ook gestorven is. Ik wil niet veel zeggen, maar Leens én Delfzijl? Dat is té toevallig, ‘mien en zien bestoan’ hebben wel heel veel met elkaar gemeen! Hij zingt weliswaar beter, is ook een veel betere tekstdichter en bekender dan ik ooit wezen zal, maar toch.
Uit dezelfde klei getrokken, dat schept toch een band.


Reacties
Een reactie posten