F. Woord, afbeelding en werkelijkheid

Leo, jouw stukje over niet bestaanbare woorden heeft me aan het denken gezet. Bij mij staat denken overigens gelijk aan vrij associëren.
In de schilderkunst zijn er schilders geweest die de relatie tussen een (bestaand) woord, de afbeelding en het ding in de werkelijkheid hebben onderzocht. Mooiste voorbeeld hiervan vind ik nog steeds de pijp van de Belgische schilder en surrealist René Margritte. ‘Een echte pijp’ zul je misschien denken, maar de tekst verwijst naar het onderscheid tussen het echte voorwerp, zijn afbeelding en het woord. ‘Ja natuurlijk, nogal wiedes. Duuuh!’ Maar zo vanzelfsprekend is dat niet. 
Nog een voorbeeld.  De Amerikaanse schilder Whistler schilderde zijn moeder in overwegend grijs en zwarte tinten, en noemde het ‘Arrangement in Grey and Black No. 1’.
Niet zo aardig voor de moeder zul je misschien denken, maar hij wilde een punt maken. Vanuit een bepaald perspectief beschouwd is een schilderij niet meer dan verf op canvas. Dat wij daar (een afbeelding van) de werkelijkheid in zien is arbitrair. Naar verluid stond hij perplex en was geïrriteerd door de aandrang van anderen om zijn werk als een ‘portret’ te beschouwen. Het werk staat overigens wel bekend als ‘Whistler’s mother’.

Dit zijn voorbeelden uit de kunstgeschiedenis. Mooi uitgelicht en beschreven in vuistdikke geleerde boeken. Het zijn kunstenaars en filosofen die ons attent maken op de aannames die we maken bij het waarnemen van de werkelijkheid.

Nu scooterde ik laatst in de buurt van Voordorp in het prachtige park Voorveldse polder, waande me vrij en ongebonden, toen ik opeens geconfronteerd werd met het volgende schokkende beeld, een wel heel herkenbaar woord, namelijk het woord waar ik me mijn hele leven al mee identificeer: ‘Fred’.

Ik was er stil van. Wat kon de graffitikunstenaar bedoeld hebben? Riep hij tot mij? Werd er soms een appèl op me gedaan? Moest ik iets doen of had het niets met mijn persoontje te maken en was ‘Fred’ slechts verf op beton? Nu ben ik er eens goed voor gaan zitten en zie tussen de ‘E’ en de ‘D’ nog iets staan, iets wat ik niet goed kan ontcijferen. Goddank, gelukkig geen ‘Fred’, maar zoiets als ‘FreId’ of ‘FreAd’, een onbegrijpelijk woord dat gelukkig niets met mij te maken heeft. Weer een probleem minder.


Even een weetje tussendoor. De bunkers die je overal in het Utrechtse landschap tegenkomt moesten de Nederlanders beschermen tegen de Duitse inval en zijn dan ook niet door de Duitsers, maar door de Nederlanders gebouwd tijdens de mobilisatie van 1939-1940. In mijn verhitte fantasie zag ik al scenes voor me van Duits blaffende officieren en in de houding springende blauwogige blonde soldaten, die nauwlettend de omgeving in de gaten hielden op zoek naar overvliegende Engelsen, Canadezen en Amerikanen. De bunkers zijn tijdens de bezetting niet gebruikt. De Duitsers richtten zich op het beschermen van de (Nederlandse) (Duitse) kust en bouwden daar hun bunkers.

In mijn jonge jaren, dus ruim voor het kunstmatige intelligentie tijdperk, stond ik eens voor de etalage van de Bijenkorf en bestudeerde een foto. Het was een foto van een vrouw, zeg maar gewoon een lekker ding. Ik schrok, wat bleek, de vrouw op de foto bleek een pop! Een foto van een mooie vrouw bewonderen dat vind ik helemaal oké, maar gevoelens koesteren voor een pop? Dat is ziek!

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus