F. Het verkiezingsdebat
K: Een
debat? Waarover dan?
D: Wat denk
je van een verkiezingsdebat?
K:
Verkiezingen?
D: Ja,
verkiezingen, is dat zo gek?
K: Maar er
zijn hier in het bos toch nooit verkiezingen?
D: Net alsof
er wel kabouters zijn! Maakt niet uit man! We doen net alsof. Leuk toch! Dan speel
jij gewoon iemand die iets belooft en dat ga ik dan afkraken en zeggen dat het
onrealistisch is en dat er helemaal geen geld voor is en dat het hele plan
sowieso de prullenbak in kan vanwege staande wet- en regelgeving op Nationaal,
Europees en Aziatisch niveau. Dat kan ik roepen, want jij weet daar toch geen
bal van.
K: Zo, daar
heb je goed over nagedacht! Oké, goed, maar dan eis ik wel één ding. Dat ik dan
gewoon van alles mag gaan roepen.
D: Goed dan,
als je het maar niet te bont maakt. Het moet wel een beetje geloofwaardig blijven.
Begin jij maar.
K: Je moet
me niet zo op m’n huid zitten. Laat me eens rustig nadenken.
F: K. ging
op zijn paddenstoel zitten, de brede riem om de enorme buik. De rood met witte
stippen paddenstoel helde gevaarlijk voorover. Zijn dikke kromme beentjes
bungelden heen en weer.
K: Laat me
eens rustig nadenken. Wat wil ik eigenlijk? Een dak boven m’n hoofd, genoeg te
eten hebben en als het kan verzorgd worden wanneer ik ziek word. Onderwijs
hoeft van mij niet, dat instituut kan afgeschaft worden. Ik word volgende maand
301, aan mij valt toch niet meer te sleutelen en jij bent nog ouder, dus dat
kan gemakkelijk. In dit bos hebben we ook geen politie nodig. Van die
vervelende kraai hebben we na dat ongeluk geen last meer.
D: Dus wat
wordt het?
K: Je kunt beter ergens tegen zijn dan ergens
voor, dus zoiets als ‘Scholen de deur uit en de politie het dak op’.
D: Oké, dat
bekt lekker! En als je nou een leus zou moeten verzinnen voor dat dak boven je
hoofd en voor die verzorging?
K: ‘Eigen Kabouter
eerst!’ Dat dekt in 1 klap de rechtmatigheid van het hebben van een goed
geoutilleerde paddenstoel en geeft prioritering binnen de hulpvraag.
D: Dus als
ik het goed begrijp kom ik in jouw plannen helemaal niet voor!
K: Nee, jij
moet natuurlijk eigen plannen maken en daar dan eigen leuzen bij verzinnen.
D: In mijn
plannen moet iets komen te staan over dwergtolerantie. Ik krijg er een sik van
om steeds maar weer op de schopstoel te zitten. Wat vind je van de leus ‘Eigen Dwerg
eerst’?
K: Nee, dat
is niet eerlijk! Je pikt gewoon mijn leus in! Verzin zelf eens wat!
D: ‘Bos voor
en Bos tegen! Stem D., juist nu!’ Zo,
wat denk je daarvan?
K: Ik vind
het geen leuk spelletje meer. Zullen we iets anders gaan doen? Ik heb laatst
een leuk bospaadje ontdekt dat uitkomt op het mensendorp. Kunnen we lachen!
D: Dat is
goed, maar dan moet jij me eerst beloven dat ik gewonnen heb.
K: Tatarata!
...en de winnaar is…, Bing, Bang, Knetteretet, van 0 naar 1 zetel, mister D.!
Zullen we nu gaan? Als we voor het donker thuis willen zijn moeten we nu toch
echt gaan.
F: D. sloeg
zijn arm vriendschappelijk over K.’s schouder.
D: Zullen we
een liedje gaan zingen? Ik begin wel. JeeHo-JeeHo, wat is het toch fijn om een Dolfijn
te mogen zijn!
K: Zeg, weet
je wel wat ik zou willen zijn? Een Dweregjesgordijn!

Reacties
Een reactie posten