L. Hoe het werkelijk ging

De vriendelijk zwaaiende evangeliste bleef maar in m’n kop rondspoken. Ik had dan wel een beslissing genomen, maar stond toch in dubio. Wel contact opnemen, geen contact opnemen, lastige zaak. Ik moest de dingen eerst maar even van me afzetten alvorens een beslissing te nemen en besloot tot een wandeling. Op het smalle paadje aangekomen zag ik hem al aan komen denderen. Ik bleef veilig achter het hek staan wachten. Met een zwaai begroette ik het enorme paard. Ik opende mijn hand. Hij kwam op me afgelopen. Het edele dier stond vlak voor me. Hij keek me met grote ogen aan en zei op fluistertoon:

‘Ik ben Pieter. Ga maar op m’n rug zitten.’ Ik deinsde achteruit. ‘Een sprekend paard! Waarom? Hoezo?
‘Doe nou maar’, spoorde hij me aan. Ik klom op het hek en zwaaide met één been over de rug van het machtige dier. En daar gingen we. ‘Hou me maar vast aan m’n manen!’ ‘Waar breng je me naar toe?’ riep ik benauwd. ‘Even geduld hebben mannetje. Maar ik beloof je dat je er geen spijt van zult krijgen.’

Het huis waar we even later voor stilstonden zou je nog het best kunnen omschrijven als een Pipi Langkous huis. Ik klopte aan en daar stond ze dan, de vrouw van de brief. Ze keek me vragend aan. Ik stamelde dat ik ook niet wist waarom ik hier nu voor haar stond. Ze stelde me op m’n gemak en nodigde me uit om wat te komen drinken. ‘Ik stel het op prijs om eens nader kennis met je te maken’, zei ze.

Gezellig aan de keukentafel, hoorde ik vanachter de kelderdeur opeens vreemde geluiden. ‘Niet op letten’, zei ze snel. ‘Dat is de hond van de buren. Ze hebben me gevraagd om er een weekendje op te passen.
Ik vind het eigenlijk vreselijk eng, dus heb hem daarom maar zolang in de kelder opgesloten. Af en toe gooi ik wat eten naar binnen en vul het water bij met een tuinslang. Ik krijg echt de kriebels van dat beest.’

Het gesprek ging al snel over het geloof en ze vertelde dat ze sinds een jaartje vervuld was van de Heer en zich had aangesloten bij de Jehova’s getuigen. ‘Het zijn zulke aardige mensen, daar heb je werkelijk geen weet van. Eerlijk gezegd verlang ik wel eens naar de dagen waarop ik frank en vrij door de wereld liep. Maar het geloof heeft zoveel te bieden! Dat sentimentele achteromkijken schuif ik maar als niet ter zake doende terzijde.’

‘Zou ik eens naar de hond mogen kijken?’ vroeg ik. ‘Nee’, zei ze kortaf. ‘Dat is niet mogelijk en ook niet verstandig. Je weet nooit wat ervan komt.’ Ze liep naar de voorkamer om een foto op te zoeken waar ze als kind op zou staan, thuis op de boerderij. Zo gauw ze de keuken verlaten had stormde ik richting de kelderdeur en liep het wankele trapje af, naar beneden. Daar trof ik geen hond aan, maar een in het rondvliegende kale kop! Uit de gele ogen droop groene pus. De stank was niet om te harden. ‘Ze is van mij!’ krijste de kop, ‘Van mij! Alleen van mij!’

En toen kwamen jullie binnen, jij en Karim, ieder met een houten staak in de hand. We keken elkaar aan. Wat zullen we doen? Het was duidelijk, de vrouw stond onder invloed van de kracht van de kop. Door die kop werd zij gedwongen. De vrouw stond boven aan de trap en riep, ’bevrijd ons van het kwaad! Steek zijn ogen uit! Zonder te dralen wierpen Karim en jij je op het kwaadaardige hoofd. Het liet zich niet zo gemakkelijk vangen, maar na een korte worsteling hieven jullie de beide staken omhoog en stieten de wapens diep in de kwaadaardige kop, jij links, Karim rechts. De kop krijste en kermde en verdween in het duister van de nacht.

Gedrieën liepen we de trap op. Ontdaan van de vloek, ontspande de vrouw. ‘Jullie worden bedankt. En jij Fred, jij mag nog wel even blijven, tenminste wanneer je dat gezellig vindt.’ Ik ben er uiteindelijk 3 weken gebleven.

‘Het was fijn’, zei ik, ‘maar nu moet ik toch echt gaan.’ Ik opende de deur en liep naar buiten waar Pieter al kwam aangerend. ‘Je moet me wel even een kontje geven’, zei ik tegen haar. ‘Jij oude snoeper’ zei ze plagend en duwde me met 2 handen de lucht in.

Eenmaal hoog en droog op het paard galoppeerden we op huis aan. Pieter wist de weg. Nog één keer omkijken en zwaaien. Weer in de wei teruggekeerd bedankte ik Pieter voor al zijn goede diensten. ‘Waarvoor?’ hinnikte hij. ‘Nou, dat je me hebt overgehaald. Ik ben van mezelf niet zo’n avontuurlijk type, dus bedankt.’ Hij keek me aan met zijn vriendelijke paardenogen en rende toen de wei in.

Thuis op de bank kon ik er met m’n verstand niet bij. Dreigde er na die staken nog gevaar? Zwaarmoedige gedachten. Eerst maar een kopje warme melk en dan lekker onder de wol.

’s Nachts in bed, luisteren naar het tikken op het raam.      

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus