L. IK BEN ALLES
Ik word
wakker in een ziekenhuisbed. Naast het bed zit mijn moeder. Ze legt mij uit wat
er is gebeurd. Een vrachtwagen is uit de bocht gevlogen en op het schoolplein
terechtgekomen tijdens het speelkwartier. Daarbij heb ik een serieus letsel
opgelopen en om te herstellen ben ik in slaap gehouden. Maar nu ben ik weer
voldoende hersteld en kan ik wakker worden gemaakt.
Nog wat slaperig vertel ik mijn moeder dat ik al die tijd heb doorgeleefd op
een kleine planeet in een groot universum. Mijn moeder lacht en vertelt me dat
het allemaal een droom was. Planeten bestaan niet. Er bestaat zelfs helemaal
geen materie. Waar komt dat dan vandaan, die materie?
‘Uit het niets’, leg ik uit en ik vertel mijn moeder van de oerknal. Zij moet
weer lachen. ‘Lieverd’, zegt ze, ‘dat kan toch niet. Een oneindige hoeveelheid
materie komt zomaar spontaan uit het niets? Welke idioot gelooft dat?’ ‘Veel
geleerden op aarde’, antwoord ik, maar langzaam dringt het besef tot me door
dat het inderdaad onzin is en dat alles niet meer is geweest dan een fantasie
die ik had tijdens mijn slaap.
‘Vertel eens
iets over dat planeetje’, vraagt mijn moeder geïnteresseerd. Ik vertel haar dat
er daar miljarden mensen waren. Heel raar was wel dat er heel veel waren die
heel arm waren en enkelen die heel rijk waren. En de armen werden steeds armer,
want de rijken wilden steeds rijker worden en namen die armen al hun geld af.
‘Wat deden die rijken dan met dat geld?’, vraagt mijn moeder. ‘Niets’, zeg ik,
‘ze hadden zoveel geld dat ze het helemaal niet meer konden uitgeven. Ze
kochten voetbalclubs of betaalden honderden miljoenen voor een prullig
schilderij, maar ze bleven steeds maar meer geld krijgen, wat ze ook deden.’
Een rare wereld was dat, vindt mijn moeder. ‘Kwamen die armen dan niet in
opstand?’ ‘Heel raar, maar nee’, antwoord ik.
Ik vertel haar over Poetin, dat die een heel land kapot schoot en
honderdduizenden mensen de dood injoeg, waaronder zijn eigen volk. Mijn moeder
snapt er helemaal niets van. Ik probeer het haar uit te leggen, maar ik snap
het zelf ook niet. Waarom heb ik dat eigenlijk gedroomd? Had ik niets beters om
te dromen?
Ik vertel haar over de manier waarop de mensen met de aarde omgingen. Dat de
mensen de omgeving, waar ze afhankelijk van waren, compleet aan het vervuilen
en vernietigen waren. Dat er veel diersoorten uitstierven met als ongekende
apotheose uiteindelijk het uitsterven van de mensheid zelf.
‘Jongen, je hebt een vreselijke nachtmerrie gehad’, zegt mijn moeder. ‘Gelukkig
was het maar een droom.’
‘Het was niet helemaal een nachtmerrie’, zeg ik, ‘Ik heb verder wel een goed
leven gehad met een prachtige vrouw en fantastische kinderen. Er waren ook wel
leuke momenten. Zo heb ik bijvoorbeeld een tijdje met iemand geschreven. Om de
dag noteerden we wat ons bezig hield en dat stuurden we dan naar elkaar op.
Best wel geinig.’
‘Fijn dat er
ook leuke dingen waren’, zegt mijn moeder. Ze schenkt een glaasje ananassap
voor me in. Ik richt mij op en ik kijk om me heen. We zijn in een
ziekenhuiskamer. Het is een tweepersoonskamer en het bed naast me is bezet. Ik
kijk nog eens goed en tot mijn complete verbijstering lig jij in dat bed, Fred.
Met grote ogen kijk ik mijn moeder aan en wijs ik naar jou. ‘Dat is Freddie’,
zegt mijn moeder, ‘jullie waren samen aan het spelen toen die vrachtwagen uit
de bocht vloog. Hij is ook geraakt en moest ook in slaap worden gehouden. Maar
het gaat steeds beter met hem en binnenkort wordt ook hij weer wakker gemaakt.’
‘En wie is die vrouw die naast zijn bed zit?’, fluister ik.
‘Dat is zijn moeder’, zegt mijn moeder. ‘Die zit trouw naast zijn bed te
wachten tot hij wakker wordt. Zij kan hem dan uitleggen waar hij is en hem
opvangen, want het wakker worden kan verwarrend zijn.’
‘Misschien heeft hij ook wel gedroomd, maar dan vast niet zo raar als jij’,
lacht ze.
Reacties
Een reactie posten