L. IK BEN ALLES

Het thema van de Boekenweek dit jaar is ‘ik ben alles’ en dat is helemaal het thema naar mijn hart. Want ik ben namelijk alles. En al het andere bestaat niet. Ik zal dat bewijzen, Fred.

Er zijn mensen die denken dat alles stopt met de dood en dat er dan niets meer is en nooit meer zal zijn. Een droevig toekomstperspectief. Het is echter heel anders: alles stopt met mijn dood, behalve ik (dus houdt mij in leven!). Omdat je nu de draad al dreigt te verliezen, moet ik je meenemen naar het moment na mijn dood.

Ik word wakker in een ziekenhuisbed. Naast het bed zit mijn moeder. Ze legt mij uit wat er is gebeurd. Een vrachtwagen is uit de bocht gevlogen en op het schoolplein terechtgekomen tijdens het speelkwartier. Daarbij heb ik een serieus letsel opgelopen en om te herstellen ben ik in slaap gehouden. Maar nu ben ik weer voldoende hersteld en kan ik wakker worden gemaakt.
Nog wat slaperig vertel ik mijn moeder dat ik al die tijd heb doorgeleefd op een kleine planeet in een groot universum. Mijn moeder lacht en vertelt me dat het allemaal een droom was. Planeten bestaan niet. Er bestaat zelfs helemaal geen materie. Waar komt dat dan vandaan, die materie?
‘Uit het niets’, leg ik uit en ik vertel mijn moeder van de oerknal. Zij moet weer lachen. ‘Lieverd’, zegt ze, ‘dat kan toch niet. Een oneindige hoeveelheid materie komt zomaar spontaan uit het niets? Welke idioot gelooft dat?’ ‘Veel geleerden op aarde’, antwoord ik, maar langzaam dringt het besef tot me door dat het inderdaad onzin is en dat alles niet meer is geweest dan een fantasie die ik had tijdens mijn slaap.

‘Vertel eens iets over dat planeetje’, vraagt mijn moeder geïnteresseerd. Ik vertel haar dat er daar miljarden mensen waren. Heel raar was wel dat er heel veel waren die heel arm waren en enkelen die heel rijk waren. En de armen werden steeds armer, want de rijken wilden steeds rijker worden en namen die armen al hun geld af. ‘Wat deden die rijken dan met dat geld?’, vraagt mijn moeder. ‘Niets’, zeg ik, ‘ze hadden zoveel geld dat ze het helemaal niet meer konden uitgeven. Ze kochten voetbalclubs of betaalden honderden miljoenen voor een prullig schilderij, maar ze bleven steeds maar meer geld krijgen, wat ze ook deden.’
Een rare wereld was dat, vindt mijn moeder. ‘Kwamen die armen dan niet in opstand?’ ‘Heel raar, maar nee’, antwoord ik.

Ik vertel haar over Poetin, dat die een heel land kapot schoot en honderdduizenden mensen de dood injoeg, waaronder zijn eigen volk. Mijn moeder snapt er helemaal niets van. Ik probeer het haar uit te leggen, maar ik snap het zelf ook niet. Waarom heb ik dat eigenlijk gedroomd? Had ik niets beters om te dromen?
Ik vertel haar over de manier waarop de mensen met de aarde omgingen. Dat de mensen de omgeving, waar ze afhankelijk van waren, compleet aan het vervuilen en vernietigen waren. Dat er veel diersoorten uitstierven met als ongekende apotheose uiteindelijk het uitsterven van de mensheid zelf.
‘Jongen, je hebt een vreselijke nachtmerrie gehad’, zegt mijn moeder. ‘Gelukkig was het maar een droom.’
‘Het was niet helemaal een nachtmerrie’, zeg ik, ‘Ik heb verder wel een goed leven gehad met een prachtige vrouw en fantastische kinderen. Er waren ook wel leuke momenten. Zo heb ik bijvoorbeeld een tijdje met iemand geschreven. Om de dag noteerden we wat ons bezig hield en dat stuurden we dan naar elkaar op. Best wel geinig.’

‘Fijn dat er ook leuke dingen waren’, zegt mijn moeder. Ze schenkt een glaasje ananassap voor me in. Ik richt mij op en ik kijk om me heen. We zijn in een ziekenhuiskamer. Het is een tweepersoonskamer en het bed naast me is bezet. Ik kijk nog eens goed en tot mijn complete verbijstering lig jij in dat bed, Fred.
Met grote ogen kijk ik mijn moeder aan en wijs ik naar jou. ‘Dat is Freddie’, zegt mijn moeder, ‘jullie waren samen aan het spelen toen die vrachtwagen uit de bocht vloog. Hij is ook geraakt en moest ook in slaap worden gehouden. Maar het gaat steeds beter met hem en binnenkort wordt ook hij weer wakker gemaakt.’
‘En wie is die vrouw die naast zijn bed zit?’, fluister ik.
‘Dat is zijn moeder’, zegt mijn moeder. ‘Die zit trouw naast zijn bed te wachten tot hij wakker wordt. Zij kan hem dan uitleggen waar hij is en hem opvangen, want het wakker worden kan verwarrend zijn.’
‘Misschien heeft hij ook wel gedroomd, maar dan vast niet zo raar als jij’, lacht ze.

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus