F. Van mijn hand
Als jongeling verkeerde ik zo nu en dan
met de poëzie. Van concreet naar abstract, van specifiek naar universeel. Het
waaierde werkelijk alle kanten op, als een koele bries op een warme zomerdag of
als een broeierig vette walm op een schone frisse lentedag.
Er moest wel wat aan de hand zijn wilde mijn dichtader van zich doen spreken. Eindeloos gepuzzel van een woordje hier en een zuchtje daar. Ik ben eens door wat oude schriftjes gegaan. In het sleepnet doken 3 gedichten op die ik rond 1980 aan het papier heb toevertrouwd.
|
Samen de zon
zien
ondergaan
Verbinden
de avond
met de nacht
en het tevreden
avondrood
Vier
brandende ogen en een hond
kwispelend
rondom de
oude vijver
|
Matte
vogel vlieg gebroken
vleugels nu niet
meer
Een open
oceaan
een rots
om uit te
rusten
|
Zonder
meer te willen als vanzelfsprekend
de liefde
Te ver
nabij
Vertel me
niets liever lieve buik
dan je
knorrende geluidjes
|
Een aantal jaren geleden alweer liet ik wat gedichten van
mijn hand aan Jody lezen. Door haar verbaasde enthousiasme gestreeld heb ik
haar over een periode van enkele weken elke dag een poëtisch stukje
toegestuurd, soms een gedicht, soms een fraai verwoorde gedachte. Dat was het
startsein voor langere stukjes die ik op dit moment verwerk tot een lang
verhaal, de exercitie waar ik waarschijnlijk tot aan mijn pensioen mee bezig zal
zijn. En dan ook nog ons schrijfproject. Waar gaat het toch allemaal naar toe!
Op het revalidatiecentrum word ik al als ‘de schrijver’ aangesproken. Nou, als
zij dat zo zien dan zal het wel zo zijn. Fred, de schrijver, wie had dat kunnen
bevroeden!
Reacties
Een reactie posten