F. Stom dat het altijd zo moet gaan

Een rukwind en daar ligt de gerimpelde graftak naast de tot op de grond overhellende bruingele varens, ergens diep in het grote enge bos. Hoog in de lucht, zware zwart wiekende vleugels, krak-krak-krak. De zon is aan het schemeren en de maan is op zoek naar het schitterende gouden jasje dat terloops om de halve sikkel wordt geslagen zodat de kou van de donkere nacht haar nu niet deren kan. De hangwang marmotten spoeden zich een weg naar het veilige hol, vossen vervolgen likkebaardend hun weg op zoek naar de nog nietsvermoedende lekkernijen.
 
Zo zal het gaan, zo is het altijd gegaan. De wolken ijlen naar het einde der tijden. Door het open raam, nerveuze jazzklanken, de puber die de haren recht legt en het puistenlandschap inspecteert. Een schoon shirt om de schouders en met lekker luchtje op frank en vrij de belofte van de donkere nacht tegemoet. Eerst nog zelfverzekerd, maar die bij het horen van de eerste klanken van ‘Sex Machine’ toch de moed in de gepoetste schoenen voelt zakken.
 
Een laatste diepe Marlboro haal moet orde op zaken stellen. In de verte ruziën wilde eenden. Een sirene klinkt op in de nacht. Een jute zak met pasgeboren katjes zinkt weg in de diepe, donkere put. Op de terugweg, zachtjes ‘both sides now’ van Joni Mitchell neuriënd. Wonderschoon. Goed dat zoiets nooit meer over zal gaan.
 
In zijn broekzak, vaders trouwring. Die van zijn moeder, op het dressoir naast de voor eeuwig brandende witte kaarsen. Vanmorgen zijn teen gestoten. De schoen knelt. Bij iedere stap, een pijnscheut vanaf de voet tot net boven het scheenbeen.
 
Aan de wand, ‘de zaaier’ van Vincent van Gogh. Fel zonlicht, nog ongeboren leven. Prachtig helder en onheilspellend tegelijkertijd.
 
Vanuit de bomen, nerveuze mussen, schichtig draaiend met hun kleine, lieve vogelkopjes.
 
De seizoenen lossen elkaar af op hun schier eindeloze reis. Jaar in jaar uit. De boterhammen weer eens met een hagelbui versierd, puur natuurlijk. De betonnen Brintaklomp licht zwaar op de maag. Morgen maar weer gewoon thee met toast.
 
Al twee keer de bruine trui gebreid. Brintabeton dat zijn uitweg zoekt, om via het riool eindelijk in zee te belanden en bruin dobberend, gebroederlijk naast enkele eenzame lege plastic flessen zijn weg voltooit.
 
Op het strand, kirrende jongeren die op de klanken van ‘Stairway to Heaven’ steeds zachter en dichter tegen elkaar aankruipen, steeds warmer en stiller, olie klokkend op het vuur van overmoed.
 
Lege flessen op het strand, een kampvuur dat nog lang nasmeult en een zacht licht verspreid. Achter de duinen een oranje zwaailicht dat behoedt voor al te grote verlokkingen van haar basalten kustlast. Golven in de kustlijn die als razenden hun kopjes breken.
 
Welkomslinten overal. De marathon is ten einde, het laatste restje koffie weggespoeld, de koeken gevuld, veilig achter glas. Gekleurde lampjes verlichten het verlaten strand en verschaffen het een vrolijkheid, een opluchting die het eigenlijk niet toekomt.
 
De fanfare trekt geruisloos verder, achter de grote grijze wiebelkont van een verloren olifant. De kangoeroe veert hoog over de verlaten velden.
 
Donkere onweersluchten omlijsten het nooit aflatende oorlogsgeraas. Omgeploegde karkassen, ooit hoopvol wachtend achter veilig gewaande glasgordijnen.
 
Honderden kilometers daarvandaan, kinderen met gespannen gezichtjes, het allerlaatste verhaaltje na het laatste verhaaltje, vlak voor het slapen gaan. De stomme eend werpt zich op tegen de malle fratsen van een lepe uil, die op het laatst een duwtje krijgt van Gompie, het vette varken die daardoor in de zuigende blubber ten onder dreigt te gaan. De reddende hand wordt geboden.
 
Zo zal het altijd gaan, steeds anders, maar eigenlijk toch ook weer hetzelfde, hetzelfde, hetzelfde, in een eindeloze gang van begin tot einde, van begin tot einde, van begin tot einde.
 
Ik hoor je. Je vindt dit alles stom. Het kan niet, het mag niet, maar toch. Je werpt de fraaie kont tegen de kribben en roept woedend dat je het niet begrijpt, dat je het niet wilt begrijpen. 

Opeens toch ook weer die heldere lach. Adem zuigt de ijle avondlucht. Ogen die ogen in het verliefde vuur doen opvlammen. 

Stom? Wie zal het zeggen?
 
Het hart verlangt, het gras verdort, de bloem valt af.

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus