L. Oordelen (2)

Eerder beschreef ik mijn poepincident met een buurvrouw.

Daar heb ik de afgelopen dagen toch wel mee rondgelopen. Het gebeurt niet vaak dat je een ‘vuile aso’ wordt genoemd. Stof tot nadenken.

Eigenlijk zie je jezelf in je omgeving. Zo liep ik eens rond in de Albert Heijn. Mensen met norse gezichten en haast kwamen op mijn pad en blokkeerden mijn weg. Ze stonden  voor en achter me in de langste rij. Toen ik weer thuis kwam, deed ik mijn beklag bij Inge over al dit chagrijn en ze antwoordde:
‘Goh, ik zag vanmorgen een moeder en haar dochter voorbij fietsen. Ze hadden de grootste lol samen en ik werd daar zelf vrolijk van’.
Bedankt voor de spiegel, Inge, de rest van de dag was nu ook verpest. Ik nam me voor om me te focussen op vrolijkheid, maar de moeder en dochter waren inmiddels weggefietst.

Als je aso bent, dan zie je overal om je heen aso, zelfs als het geen aso is. Je beoordeelt namelijk alles vanuit aso. En oordelen, dat kunnen we. Dat zit in onze natuur en zo hebben we het al die generaties overleefd. Als we niet hadden beoordeeld en geoordeeld, dan waren we allang uitgestorven.
Dan was bijvoorbeeld die man in dat ijzeren pak met dat geheven zwaard toch wat minder vriendelijk dan verwacht toen we hem zonder oordeel een veldboeket aanboden. En dan waren die vruchtjes die we zonder oordeel aten helaas toch giftig.
Oordelen op zich is dus niet verkeerd, zo lang we maar beseffen dat het onze interpretatie van de werkelijkheid is en daarmee niet per sé de werkelijkheid. Die man met dat zwaard waar we hard voor wegliepen, kwam juist om ons te redden van de moordenaar die zich had verstopt achter de boom waar we naartoe renden. En de vruchtjes die we weggooiden waren weliswaar enigszins giftig, maar niet dodelijk en bevatten ook een stof die beschermt tegen kanker.

Wat we zien is niet altijd wat er is. Zo ook bij mijn tweede poepincident.
Het gebeurde op een vakantie in Zeeland, tientallen jaren terug. We zaten op een zeer luxe camping met bowlingbanen, een grote kampwinkel, minigolfbaan, zonnebank, restaurant en natuurlijk dicht bij zee.
De toiletten waren uiteraard superschoon. Volgens mij werden er alleen schoonmaaksters aangenomen met smetvrees. Geen vuiltje in de pot en het toiletpapier hing er in volle rollen naast.
Ik ging soms wel eens naar de WC terwijl ik eigenlijk niet eens zo nodig moest, zo fijn was dat daar.
Maar toen begon de Brabantse bouwvakvakantie. De camping werd overspoeld door installateurs, dakdekkers, metselaars en timmermannen van onder de rivieren. U begrijpt, het werd een zooitje. Als u het niet met mij eens bent, dan oordeelt u nu toch echt verkeerd. De Brabanders poepten, piesten en kotsten onze prachtige WC’s onder. Een deel van de schoonmaakster pleegde zelfmoord, een ander deel werd gillend gek en de rest nam collectief ontslag, op een paar diehards na.
En op een dag gebeurde het. Ik moest iets doen en ging naar het toilet. In het eerste toilet stond ik tot mijn enkels in de urine, het tweede toilet stonk ondraaglijk en het derde was een combinatie van de eerste twee. Maar het achterste toilet was nog redelijk. Ik deed mijn boodschap en greep naast me naar het toiletpapier. Weg. Gestolen door een Brabander. Goede raad was duur. Ik trok mijn broek voorzichtig omhoog en stak snel over naar het toilet aan de andere kant. Daar was gelukkig wel WC papier. Ik deed de deur dicht en zag toen tot mijn onthutsing dat er een grote drol op de bril van het toilet lag. Misschien van iemand die het te vies vond om te gaan zitten, er boven was gaan hangen en slecht had gemikt.
Nou ja, ik hoefde alleen even te vegen. Na deze handeling trok ik de WC door en deed opgelucht de deur weer open. En toen stond ik oog in oog met de verbijsterde  schoonmaakster.

Het was niet uit te leggen. Nooit meer naar de WC geweest daar. De rest van de vakantie in lunchrooms en restaurantjes geplast en gepoept.

Vanmorgen stapte ik goedgemutst de Albert Heijn binnen. Een andere klant knikte me vriendelijk toe. Ik knikte beminnelijk terug. Een oudere dame neuriede een liedje en een meisje hielp een bejaarde heer die was gevallen. Gelukkig viel het mee. Iedereen lachte en was gelukkig. Er werd gezongen en gedanst.
Bij de kassa was een korte rij, maar alle mensen in de rij zeiden tegen me: ‘Gaat u maar voor, u heeft niet zoveel boodschappen.’ Dit terwijl ik een volle kar had!
Ik heb alle rozen opgekocht en die voor de deur van de winkel uitgedeeld. Het leven kan prachtig zijn.

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus