L. 100!
Morgen is een bijzondere dag, want het is de honderdste geboortedag van mijn moeder.
Althans, dat denk ik. Ik bel voor de zekerheid met mijn broer. ‘Ze was 12 jaar
jonger dan pa’, zegt hij, ‘en die is geboren in 1912. Dus zou ze morgen 99
geworden zijn.’ ‘Het was toch 11 jaar en nog wat?’, antwoord ik. We komen er
niet uit.
Mijn vader en moeder hadden een huwelijk dat
eigenlijk niet kon. Hij was Rooms-Katholiek en zij Protestants. Hij woonde in
het Utrechtse wijk-C (Willemstraat), een volksbuurt, en zij in Oog in Al
(Mendelsohnstraat), waar de beteren resideerden. Maar wat het ergste was: hij
was haar leraar en zij zijn leerlinge. Dat verklaarde ook het
leeftijdsverschil. De verschillen maakten overigens niets uit.
Het was een goed huwelijk.
Maar ja, nu weet ik nog niet hoe oud mijn
moeder morgen gaat worden. En dan te bedenken dat ik mijn hele voorgeslacht in
kaart heb gebracht. Het spoor leidt naar Düren in Duitsland waar mijn vermoedelijke
voorouders rijke lakenfabrikanten waren, tot ene Leonard Koenen het hele
familiekapitaal er doorheen joeg. Ik ben niet naar hem vernoemd, overigens. Ik
ben vernoemd naar de vader van mijn moeder,
Leen de Bruin. Mijn moeder vond dat een vreselijke voornaam. ‘Maar je kunt hem
toch de roepnaam Leo geven’, suggereerde mijn opa. Dat vond mijn moeder goed.
Mijn officiële naam is Leendert, maar u mag Leen zeggen. Of Leo.
Mijn moeder staat uiteraard ook in de stamboom. En die staat weer op een stick.
Maar waar is die stick nu weer? Ik doorzoek alle laatjes van mijn bureau,
nergens is die stick te vinden. Dan maar over op plan B. ‘Inge’, roep ik, ‘waar
heb je die stick gelaten waar mijn stamboom op staat?’
‘Hoe moet ik dat weten’, antwoordt ze, de kamer binnenlopend. ‘Jij ruimt altijd
alles op, ik niet’, probeer ik een troef uit te spelen. ‘Dan had je dat
misschien toch beter zelf kunnen doen’, zegt Inge.
Voor ik kan antwoorden, zegt ze: ‘Je hebt
maar één sok aan. ’Ik kijk naar beneden en zie alleen een sok om mijn
rechtervoet. Hoe kan dat nu weer. ‘Alles in dit huis verdwijnt’, mopper ik
verongelijkt, ‘zelfs de kleding die je aan hebt’. Waar kan die sok nu weer
zijn. Ik zoek overal waar ik geweest ben, maar nergens ligt die sok.
‘Waarschijnlijk ligt die sok bij mijn stick’, verzucht ik.
En dan krijg ik een goed idee. Toen mijn moeder overleed heb ik een speech
gehouden en ik weet nog dat deze begon met haar geboortedatum. Die speech heb
ik ongetwijfeld toen ook naar mijn broer gestuurd en dan moet hij in mijn gmail
staan.
Ik zoek op mijn broers emailadres en blader terug naar de periode rondom mijn
moeders overlijden. En ja, hoor, daar is de mail met de speech. Ik open de
bijlage en lees:
Het leven van mijn moeder begon op 28 juni 1923. Ik heb het even gegoocheld,
de temperatuur was 17o met een matige wind. Er viel die dag
uiteraard geen neerslag. De zon scheen. Een mooi begin van een prachtig leven.
Dus toch. Van harte gefeliciteerd met je 100e, ma.
Mijn sok heb ik teruggevonden toen ik de
honden ging uitlaten.
De stick met 12.000 voorouders is nog zoek.

Reacties
Een reactie posten