F. De aaibaren
Ze waren met z’n viertjes. Ze stonden in het gras langs de kant van de weg. Drie omringden die ene, de meest gulzige, die zich vooroverboog en zich tegoed deed aan het net nog niet vergeelde Septembergras. Ganzen. Ik noem ze zo omdat ik geen benul heb van geslacht en soort. Ganzen dus. Drie stonden er rechtop, hun zwemvliezen tot het uiterste dwingend, de snavel opgeheven, snuivend in de wind. Die drie stonden op de uitkijk en deden hun uiterste best om opdoemend gevaar te detecteren. De grootste van het stel deed wel heel erg zijn best om er boven uit te toornen. Uitslover! Volgens mij hield hij gespannen de adem in. Wat dat betreft zijn het net mensen. Tijdens het laatste beoordelingsgesprek waren er woorden gevallen, over zijn inborst en iets over een te slappe houding. Hij zou zich te veel hebben verlaten op zijn gakkende kornuiten. Dat moest maar eens afgelopen zijn, vonden ze. Je kon zien dat hij, ondanks zijn innerlijk verzet, toch zijn uiterste best deed. In het voorbijgaan...