F. Alles goed?
Ik ben een voorstander van open vragen, maar soms gaat het te ver. Ik reed vanmiddag door de stad en hoorde iemand de volgende vraag opwerpen: ‘Alles goed?’ Het is het type vraag dat niet op een inhoudelijk antwoord zit te wachten. Het vraag- en antwoordspel vormt de magische lijm in het sociale verband. Blije mensen die getuigenis doen van een opgeruimd karakter en daarbij de ander in een golf van tevreden energie willen meenemen. De vraag wordt gesteld maar wenst inhoudelijk onbeantwoord te blijven. Wat wordt verstaan met dat ‘alles’ en wat kan gelabeld worden als ‘goed’? Strikt genomen, op die manier gesteld, moet de vraag ten alle tijde, logischerwijs, met ‘nee’ beantwoord worden. De vraag maakt echter deel uit van een complex sociaal ritueel. In de vraag zit het gewenste antwoord retorisch verpakt.
‘Ja,
alles flex hier! Wat een heerlijk zonnetje hè? De zwembroek kan weer uit de
kast. En dat voor September, bizar! Nou de groeten dan maar weer. Prettige dag
verder.’
Wat
gedeeld wordt is het gemeenschapsgevoel, voor even samen. Het maakt onderdeel
uit van een formule. Begrijpelijke woorden, geen vage oerklanken, geen
onbegrijpelijk poëtisch omarmend rijmelarijschema, nee, gewone mensentaal,
elkaar hartelijk toegevoegd. Een waar net van terloopse sociale liefkozingen.
Anders dan het heftige:
‘Hou
je nog van me?’, ‘ben je nog wel gelukkig?’, ‘verlang je ook wel eens om vrij
en onafhankelijk te zijn?’ ‘zal ik er morgen nog wel zijn?’
Het
zijn stuk voor stuk vragen die als relevant getypeerd kunnen worden, maar
waarop je het antwoord meestal schuldig moet blijven. Tenminste, het echte
antwoord, het zogenaamde achterste van je tong. Niemand zit echter te wachten
op achterste van tongen. Even leuk en aardig doen en dan snel weer door.
Er bestaan wel vragen die beantwoord kunnen worden, maar die hebben meestal niks met het achterste van je tong te maken. ‘Wilt u aangesloten worden op het glasvezelnetwerk?’ De medewerker van Open Dutch Fiber is net vertrokken, met in zijn achterzak mijn goedkeuring en de felbegeerde handtekening. Nee, u zit niet vast aan een specifieke provider, alleen maar een krabbeltje voor het kabeltje. De man was nog net niet geïrriteerd, maar je zag dat hij het er moeilijk mee had.
Er
bestaan ook concrete vragen zonder vage definitie kwesties. ‘Wil je misschien
een kopje koffie van me?’ een vraag die met een simpel ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord
kan worden. Ik twijfelde even toen de fysiotherapeut me de vraag stelde. Ik was
net met mijn oefeningen begonnen. ‘Laatste kans’ zei hij. Dus ging ik door de
weke knieën. Oefeningen doen gaat niet samen met koffie drinken, dus mijn armen
en benen liet ik maar doelloos in de crosstrainer hangen. Even pauze. Ik had
nog geen koffie op, dus de warm opgeschuimde godendrank ging er goed in. Het
gevaar is wel, dat de pauze aangegrepen wordt om je over je besognes te
bevragen.
‘Trillen
die benen van u wel vaker?’ Is dat een MS-dingetje?’
Concrete
vragen die om een concreet antwoord vragen, maar die op mijn nog niet
ontwaakte, onwillige humeur stuitten. De koffie had zijn weldadige uitwerking
nog niet ten volle over mijn slaperige lijf uitgestort.
De
vrouw die de vragen op me afvuurde was vriendelijk, dus ik streek over mijn
hart. ‘Ja, dat gebeurt wel vaker’, antwoorde ik, ‘meer dan me lief is, ook
wanneer ik probeer om op te staan. Staan en trillen, dat gaat moeilijk samen.
Je moet geduldig wachten tot het ergste voorbij is. Er bestaat wel medicatie
voor, maar die heeft de onhebbelijkheid je slaperig te maken. Ik heb het op
aanraden van de neuroloog geprobeerd, maar vanwege de mentale mist heb ik
ervoor bedankt. Ondanks de slaperige bijwerking gebruiken veel MS-patiënten het middel. Ik kies liever voor een schokkerig bestaan, een
bestaan waarbij ik geestelijk bij de heldere pinken blijf. Niet meer trillen en
verder moeten als een slaperige bejaarde, nee, ik sla even over.’
Zoals
veel in het leven, het blijft kiezen uit twee kwaden. Hoe gaat het met me?
Alles goed? Ik moet zeggen, nog steeds goedgehumeurd, terwijl het lichamelijk
falen redelijk stabiel blijft. Vroeger was het eerder andersom, somber en
melancholisch gestemd, maar lichamelijk als de brandweer.
De
verhouding, daar gaat het blijkbaar om, een universele wet. Wanneer je een
beetje meer hebt van het ene, dan krijg je vanzelf minder van het andere. Dat
geeft gelijk antwoord op die ‘alles goed’-vraag.
Alles blijft voor eeuwig zoals het altijd was. Meer van het ene, dan toch
minder van het andere.
Reacties
Een reactie posten