F. De aaibaren

Ze waren met z’n viertjes. Ze stonden in het gras langs de kant van de weg. Drie omringden die ene, de meest gulzige, die zich vooroverboog en zich tegoed deed aan het net nog niet vergeelde Septembergras. Ganzen. Ik noem ze zo omdat ik geen benul heb van geslacht en soort. Ganzen dus.

Drie stonden er rechtop, hun zwemvliezen tot het uiterste dwingend, de snavel opgeheven, snuivend in de wind. Die drie stonden op de uitkijk en deden hun uiterste best om opdoemend gevaar te detecteren.
De grootste van het stel deed wel heel erg zijn best om er boven uit te toornen. Uitslover! Volgens mij hield hij gespannen de adem in. Wat dat betreft zijn het net mensen.

Tijdens het laatste beoordelingsgesprek waren er woorden gevallen, over zijn inborst en iets over een te slappe houding. Hij zou zich te veel hebben verlaten op zijn gakkende kornuiten. Dat moest maar eens afgelopen zijn, vonden ze. Je kon zien dat hij, ondanks zijn innerlijk verzet, toch zijn uiterste best deed. In het voorbijgaan kruisten onze blikken. De duistere vogelogen, de snavel dreigend op mij gericht, de vleugels langs het te volle vogellijf. 

Ik zoek ze niet op, de dieren, maar ze zijn echt overal. Vandaag ook weer. Dit keer ook heel aaibare dieren met een zachte vacht en een kop met ogen die liefdevol de wereld in kijken. Ik heb er eens op gelet.
Ik zag kleine ponypaardjes naast paarden in allerlei soorten en maten, de manen kort geknipt of zoals bij die witte, lang en bovendien kunstig gevlochten. Daar had die merrie niet om gevraagd, maar was het resultaat van de uitdrukkelijke wens van het verwende bazinnetje. Ik gebruik bewust de vrouwelijke vorm omdat de relatie vrouw en paard over het algemeen sterker is dan die tussen man en paard.

Konijnen heb ik vandaag niet waargenomen maar die zitten er wel degelijk. Ooit zag ik vossen ronddartelen. Mooie vacht, geinige koppies. Vervelende bijtertjes. Niet zo fanatiek als hun grote neef, de wolf, maar toch. Schapen hebben over het algemeen niets van de vos te vrezen, maar kippetjes moeten op hun tellen passen. Vlijmscherpe vossentandjes.

Dat heb ik tegen op het dierenrijk, dat eten of gegeten worden en de agressie en schichtigheid die daarmee verbonden zijn. Daarom kan ik alleen maar liefde opbrengen voor ongevaarlijke planteneters, de rustige grazers. Een paard rent niet agressief hinnikend dreigend op je af. Misschien hebben ze een dergelijk gedragsrepertoire wel in huis, b.v. wanneer een moeder de pasgeboren kleine veulen moet verdedigen, zoiets, maar in de regel staan ze op vier benen rustig in de wei te grazen.

Uitzondering op de regel, de tijden van hengstigheid, dat is heel andere koek. Dan lusten ze er wel pap van en rennen onrustig heen en weer, totdat de groezelige hengst zich op de merrie heeft gestort en kort en krachtig op haar in heeft lopen hengsten. Ja, dan is het voor even buitencategorisch onrustig in de wei.

Wat kwam ik op mijn tocht allemaal nog meer tegen? Wilde eenden, standvastig verstilde reigers, waterhoenders, koeien en schapen. En forellen. Tenminste, de enige forel die ik zag hing opgezet aan de muur van de lokale visvereniging. De baas van het spul kiepert zo nu en dan een enorme vracht forellen en ander zwemmend spul het kleine meertje in. Op een houten paal staat de aalscholver er al reikhalzend naar uit te zien.

Volwassen mannen zijn het. Vliegvissen heet de hengelsport. Mooi gezicht, de lijn die na wat heen en weer gezwiep zachtjes op het wateroppervlak neerdaalt. Die vissen hebben natuurlijk geen schijn van kans. Intuïtief happen ze naar het drijvende neplekkers.

Ik houd het maar bij de plantenetende aaibaren, dieren die het niet in zich hebben om wat voor vliegen dan ook kwaad te doen

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus