L. Blue pale dot

Toen ik van de stad Utrecht naar het dorp Westerlee in Groningen verhuisd was, waren er twee dingen die mij opvielen. De eerste was de stilte. In Utrecht was het geluid van de A27 altijd wel aanwezig op de achtergrond, vervolgens hoorde je bij ongunstige wind ook nog eens de treinen richting Amersfoort en dan was er natuurlijk de stadse drukte van een buitenwijk met krappe, aan elkaar gelegen tuintjes. Je hoorde de buren praten, BBQ-en en Hilversum III bestond nog steeds.
In Westerlee is het ’s avonds stil. Geen snelweg, geen treinen en geen hoorbare buren. Rust.

Het tweede dat mij opviel was de enorme sterrenhemel. In Utrecht is er een flinke lichtvervuiling en als ik dan in mijn stadstuintje van 10 bij 5 stond, dan zag ik een enkele ster. In mijn dorpstuin van 30 bij 30 in het Dark Sky Park van Westerlee zag ik de Melkweg en drong het besef van de eindeloze ruimte een beetje door. Een beetje maar, want het menselijk brein kan het onmetelijke niet bevatten.
Zo weten we bijvoorbeeld dat er drie dimensies zijn (lengte, breedte, hoogte) en de vierde dimensie (tijd) kunnen we ons ook nog voorstellen. Maar dat er nog zeven andere dimensies zijn, dat wil er niet in.
Dat zijn namelijk opgerolde dimensies en die kunnen we zien noch bevatten.

In mijn dorpstuin fantaseer ik over dat onvoorstelbare universum. Ik stel me dan bijvoorbeeld voor dat onze aarde een elektron is dat om het atoom de zon draait. Alle sterren zijn niet meer dan atomen. En alle sterren samen vormen dan misschien wel een lichaam, zoals de atomen van mijn lichaam mij weer vormen. Misschien zijn we wel een fractie van een enorme dinosaurus. We kunnen dat niet zien, zoals de wetenschappers op het elektron in mijn lichaam ook niet kunnen bevroeden dat ze onderdeel zijn van een Goddelijk lichaam.
Voor het geval u nog met mij meedenkt en probeert mij te volgen heb ik de volgende gedachtenkronkel.
Stel, u bent een astronoom en u zit samen met een andere astronoom op een elektron dat om een atoom draait. U kijkt in uw ruimte en ziet de andere atomen als sterren. U beschrijft ze, maar u beseft niet dat datgene dat u beschrijft slechts een bladgroenkorrel is in het blad van een boom.
Uw universum is een bladgroenkorrel en u bent onwetend dat er ontelbare andere bladgroenkorrels in het blad zitten…in een boom met ontelbare bladeren…in een bos met ontelbare bomen…op een planeet met ontelbare bossen…in een Melkweg met ontelbare planeten…in een universum met ontelbare Melkwegen. En dat universum vormt samen met ontelbare universums rondom zich weer een elektron dat zweeft rondom een atoom in een bladgroenkorrel.

Goed, ik ben u kwijt. Misschien moet ik ook niet de grootte van het ons omringende proberen voor te stellen, maar het minieme dat wij zijn.
In 1977 werd de Voyager 1 gelanceerd die de buitenste planeten van ons zonnestelsel moest fotograferen om vervolgens ons zonnestelsel te verlaten en uiteindelijk de interstellaire ruimte in te vliegen.

Bij het verlaten van ons zonnestelsel in 1990 draaide de Voyager 1 zijn camera nog even op de aarde en nam als groet nog een laatste foto om vervolgens de camera uit te doen.

Een foto van buiten het zonnestelsel.
We zijn een nietig stipje, nog geen pixel groot, in een enorme ruimte. Alles wat we hebben bevindt zich op dat kleine stipje.
We zouden het moeten koesteren en delen. Helaas zijn we bezig om dat kleine stipje te vernietigen. Om dat te voorkomen (kan dat nog?) is er op dit moment een klimaatconferentie in Dubai en is men druk aan het compromissen sluiten om het tij te keren. Ik wens de deelnemers heel veel wijsheid toe.

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus