Ik heb een hekel aan de trein. Daar zijn uiteraard meerdere
redenen voor te bedenken. Zo brengt de trein je van een punt waar je niet bent naar een punt waar je niet
naar toe moet. En dan steeds maar die vertragingen. Of neem de enorme drukte in de trein en dan
natuurlijk ook nog die agressie.
Ik herinner me een voorval in de spitstrein van Den Haag
naar Utrecht. Ik had net de vorige trein gemist en kon dus plaatsnemen in een
nagenoeg lege volgende trein. Dat zou natuurlijk wel veranderen, maar ik had tenminste
een plaats op een tweepersoonsbank en aan het raam! De trein stroomde inderdaad vol en op een gegeven moment kwam er een man naast
me zitten. Je moet tegenwoordig erg op je woorden letten, dus ik omschrijf hem als heel
erg donker getint, bijna zwart zelfs. Hij was niet alleen, hij had twee halve
liters bier en een joint bij zich. Hij legde zijn reisgezelschap op mijn
tafeltje aan het raam. Hij zat even, verontschuldigde zich toen en liep weg met
zijn joint. De blikken bier bleven op mijn tafeltje staan.
De trein stroomde voller en voller en mensen meldden zich voor de zitplaats
naast me. Ik wimpelde ze af met de mededeling dat de plek al bezet was. In
eerste instantie hielp dat, alleen kwam de erg donker getinte man niet terug. Ik
zag hoe mensen in het volle halletje kwaad kijkend naar de plek naast me wezen en
met elkaar overlegden. Vervolgens ging de deur van het halletje open en een
kordate boze vrouw trad de coupé binnen en ging zonder iets te zeggen naast me
zitten. ‘Deze plek is al bezet’, zei ik. ‘Dat zien we dan wel’, zei ze bits. Ze
nestelde zich nog steviger op de plek naast me.
Even voor Zoetermeer kwam de erg donker getinte man terug. ‘Ik heb gezegd dat
de plek bezet was’, zei ik een beetje zegevierend. De erg donker getinte man
maakte een gebaar dat het wel goed was. Hij pakte zijn twee blikken bier en
liep weg. Helaas niet naar de hal met de boze mensen, maar de andere kant op.
In Gouda stapte de kordate boze vrouw met nog wat mensen uit en vervolgens
liepen de boze mensen uit het halletje de coupé in. Zij hadden niets
meegekregen van de terugkeer van de erg donker getinte man en de kordate boze
vrouw was ook verdwenen. In hun ogen was ik nog steeds die asociale
stoelenpikker en als blikken konden doden, dan was ik morsdood geweest. Ik wist
dat ik me er niet uit kon redden, dus ik onderging het deemoedig.
Ik nam me voor om nooit meer de trein te nemen en dat is me
tientallen jaren gelukt.
Maar met de jaren kwamen er toch lichte lichamelijke kwaaltjes. Eentje daarvan
is nachtblindheid en dat maakt dat
’s avonds rijden, zeker bij lichte regen,
geen pretje meer is, temeer niet omdat auto’s tegenwoordig nogal eens zijn uitgerust
met van die helwitte verstralers. Omdat de stad Groningen fantastische restaurantjes heeft, moet ik daarom tegenwoordig
toch weer terugvallen op de trein. Gelukkig zijn die in Groningen nog niet
overvol en bovendien reis ik ’s avonds buiten de spits.
En zo stapte ik, na een heerlijk Mexicaans etentje, in de
trein van Groningen naar Zuidbroek. Terwijl ik instapte deed ook een man van
een jaar of 25 een stap naar voren. Hij keek mij laatdunkend aan en zei: ‘wil
jij ook naar binnen?’
‘Ja’, zei ik, en ik stapte het halletje van de trein in. De man liep ook naar
voren en zo liepen we schouder aan schouder tegen elkaar aan het halletje in.
‘Wil je soms dat ik je handje vasthoud’, sprak de man minachtend. Het was
duidelijk dat hij de verantwoordelijkheid voor de voor hem ellendige situatie
volledig bij mij neerlegde en dat hij zijn eigen aandeel in het gebeuren niet
zag. Tenslotte bevond ik me misschien in zijn persoonlijke ruimte, maar aan de
andere kant was hij ook weer intimiderend aanwezig in mijn kleine territorium.
Ik nam afstand en liep het gangpad van de coupé in.
‘Idioot’, riep de man mij na. Nu werd het toch wel een beetje opmerkelijk. Dan
loop je zijn persoonlijke ruimte uit en is het weer niet goed. Het was
duidelijk een mens met een hechtingsproblematiek. ‘Pannenkoek’, riep hij er
vervolgens nog eens overheen.
Pannenkoek. Dat woord ken ik. We gaan terug naar 2009. Marco
van Basten was een weergaloze voetballer en na zijn voetbalcarrière probeerde
hij een loopbaan op te bouwen als trainer. Hij werd de coach van Ajax. Deze
club zat toen al vijf jaar zonder landstitel en Marco van Basten moest voor het
succes zorgen waar de fans naar snakten. Maar het werd een onfortuinlijk
seizoen en Ajax werd voorbijgestreefd door toenmalige middenmoters als AZ en FC
Twente.
Op 31 januari 2009 speelde Ajax thuis tegen Heerenveen en leed een pijnlijke
nederlaag waardoor het kampioenschap wel kon worden vergeten.
Toen Marco van Basten de catacomben van het stadion in wilde lopen, stond een
supporter hem op te wachten. De ontevreden supporter riep naar hem: ‘Hé Marco,
bedankt hè. Pannenkoek!’ Marco van Basten onderging het deemoedig.
Ik word vergeleken met Marco van Basten, dacht ik
tevreden. Dat was dan toch wel weer aardig van die man.
Reacties
Een reactie posten