L. Van stad tot metropoltsie
Wat moet je iemand voor zijn verjaardag geven die alles al
heeft wat hij wil. Vraag het Inge en je krijgt het antwoord. Ze vertelde me dat
we drie dagen weggingen. Waarnaartoe, dat bleef geheim.
Op dinsdag reden we naar Assen en stapten op de trein naar
Den Haag. Het OV en ik moeten elkaar niet en dus knapte er tussen Amersfoort en
Utrecht spontaan een bovenleiding. We moesten omrijden via Hilversum naar
Utrecht Centraal. Daar zocht ik naar het perron vanwaar de trein naar Den Haag
zou vertrekken, maar Inge gaf aan dat we gearriveerd waren. ‘Maar dit is
Utrecht’, zei ik verbaasd. ‘Je hebt een helder ogenblik’, antwoordde Inge.
Utrecht, de stad waar ik ben geboren en getogen, tot ik acht
jaar geleden naar Oost-Groningen verhuisde. In die acht jaar ben ik nooit meer
in Utrecht geweest en dus vond Inge het hoog tijd dat we weer eens wat
herinneringen gingen ophalen. Wat een fantastisch idee.
We brachten eerst de koffers naar ons hotel, het Intel hotel aan het
Smakkelaarsveld. Die bestond in mijn tijd nog niet. Het heeft een prachtig
uitzicht over het hartje van de stad, het Vredenburg.Vervolgens lopen we de stad in. Ik adem het verleden in. We lopen over de Oude Gracht, het mooiste stukje wereld. We komen langs Mario. Broodje Mario is dé klassieker van Utrecht. Sinds pizzabakker Mario Nistro het broodje in 1977 introduceerde is het een doorslaand succes met lange rijen voor de vroegere kraam en de huidige winkel. Uiteraard neem ik een broodje en ben weer even terug in mijn studententijd.
We lopen door naar ‘De winkel van Sinkel’, vernoemd naar het oorspronkelijke
warenhuis, maar daar ken ik het niet van. Dat was al opgedoekt voor ik geboren
was. Ik ken het als bankgebouw van Vlaer en Kol. Binnen was er een prachtige
hoge zaal met een fraai bewerkte houten balie in het midden waar de
bankbedienden stonden met het publiek er omheen. Ik had me voorgenomen om,
wanneer ik rijk was geworden, hier een bankrekening te openen. Dan kon ik
legitiem van tijd tot tijd naar binnen en me vergapen aan het interieur. Maar
de bank werd opgeslokt door de AMRO bank (inmiddels ook opgeslokt) voor ik mijn
eerste salaris had genoten.
Nu is het een ‘grand café’. Voor de entree staan vier kolossale Griekse
vrouwenbeelden, de kariatiden. Ik herinner me dat ooit, waarschijnlijk door
aangeschoten studentes, de teennagels van de beelden felrood zijn gelakt. Alsof
ik nooit ben weggeweest.
Daarna wandelen we door het stadsie heen. Herkenning en feest.
Die avond eten we bij de Ethiopiër. In Groningen heb ik wel eens met heimwee
over de Ethiopiër gesproken. Een restaurant met heerlijke informele sfeer die
je zo langs de weg in Ethiopië kunt plaatsen. Je eet met je handen een
heerlijke pannenkoek met Ethiopische gerechten. En daarbij natuurlijk een
glaasje ‘Mede’, de 8000 jaar oude nationale honingdrank (tej) van Ethiopië.
Bij de Bijenkorf kopen we na het eten twee mooie wijnglazen en daarmee proosten
we in de prachtige hotelkamer, met uitzicht op het Vredenburg, op het weerzien
met Utrecht.
Het hotel heeft
een Jacuzzi pal voor het raam staan en daarin kijk ik de volgende morgen over
de skyline van Utrecht. Rechts zie ik het muziekcentrum en links het grote
witte gebouw waar muziek Staffhorst vroeger zat. Daarachter de winkels van het
Vredenburg. Daar zat ook Palace, de ‘pornobioscoop’, waar ik met mijn
pubervriendjes wat schichtig naar binnen ging, want je wist maar nooit of je
werd gezien.
In de skyline zie ik de koepeltoren van de Augustinuskerk. Dat was de Rooms
Katholieke parochie waar mijn opa en oma, en dus ook mijn vader, deel van
uitmaakten. Ze hadden een klompenwinkel in de Willemstraat. Hoewel die best
goed liep, stuurde oma mijn vader vaak met een pan naar de kerk die voedsel maakte
voor de armen. Mijn vader kreeg dan geregeld te horen dat zijn ouders op zondag
niet in de kerk waren geweest en hij werd dan met zijn lege pan weggestuurd.
Verbitterd heeft hij vervolgens het geloof afgezworen. Ik ben dus ook niets. De
teloorgang van de kerk is hier begonnen.
Onder mij rijden onafgebroken fietsers van en naar de stad. Het Smakkelaarsveld
is één van de drukste fietsroutes van Nederland.
Als ik opsta, dan gebeuren er vreselijke ongelukken, realiseer ik me.
Na het fantastische ontbijt lopen we naar het stationsgebied
om alle mooie veranderingen te bewonderen. En prachtig is het. Ik heb moeite om
het oude stationsgebied voor de geest te halen. Ik kan niet anders zeggen dat
het geweldig is gedaan. Maar toch, er ontbreekt iets. Aanvankelijk kan ik er de
vinger niet goed achter krijgen, maar als we op een terrasje zitten en ik de
man aan het tafeltje naast me een telefoongesprek hoor voeren, dan realiseer ik
het me. De stopwoorden in zijn taalgebruik zijn ‘nice’ en ‘chill’. Ik kijk om
me heen en zie allerlei mensen lopen. Ze zijn druk met zichzelf bezig. Ik kijk
nog eens goed en zie een heleboel mensen die heel druk met zichzelf bezig zijn.
Maar ik zie geen Utrechters. Waar is Lenie uit de Takkestraat van Tineke
Schouten (krijg nou de angs) en waar is de voetbalsupporter van Herman van Veen
(‘zo, ze zijn over de middellijn, van harte gefeliciteerd, struikel niet over
de penaltystip’).
De mensen die ik zie zijn geen Utrechters, maar wat zijn het
dan wel? Het antwoord vind ik op internet als ik de brochure opzoek van ‘het
smakkelaarspark’, een van de laatste stedenbouwkundige projecten die nog
ontwikkeld worden. De verkoop van fase 3 van het parkgebouw is gestart en de
toekomstige bewoners worden welkom geheten:
‘Welkom single, solo, zwaluw, culti, dink, student, bijtje, veggie,
stadsmus, bohemien, huismus, nieuwe Utrechter, pensionado, ondernemer, city
slicker, kapitein, barista, koolmees, artiest, lokale held’.
Dat zijn dus de nieuwe Utrechtenaren. Geen dakhoaze,
achterlijke gladioale of graftakke, maar dinks en city slickers.
We lopen langs een tweedehands boekwinkel en in de etalage
ligt het boek ‘van stadsie tot stad’ van Ad van Liempt over de veranderingen
van de stad in de periode van 1950 tot 1975.
Er kan een tweede deel worden geschreven. Utrecht is de stad ontgroeid. Utrecht
is een metropool geworden. Nou ja, een kleintje dan. Een metropoltsie, zou de
Utrechter zeggen.
Ik ben een kind van de stad, denk ik wat verweesd. Maar dan loop ik onder de
dom door.
Die is er nog! En zij zijn er ook nog: Paulien, Fred, Lennert, Betsie, Dennis,
Roos, Leo 1, Pierre en Els!
En dat maakt Utrecht tot de meest fantastische plek op aarde om weer even naar
toe te gaan.

Reacties
Een reactie posten