F. Je best doen


Ik hoorde twee eksters zaken des levens met elkaar bespreken.



-    (E1) Ik weet heus wel dat ik me er niets van moet aantrekken.
-    (E2) Wat zeur je dan?
-    (E1) Dat is toch niet leuk van die vette duif! Mij een arrogante zwart-witte opschepper noemen! Wie denkt hij wel dat hij is?! Zazoe uit de Lion King?
-     (E2) Ach, laat die bolle Jos toch in zijn vet gaarkoken.
-     (E1) Duif in ’t pannetje lijkt me niet verkeerd.
-     (E2) Houd je toch maar aan de afspraak. Vergeet die duif. Zet hem uit je kop.
-     (E1) Al dat commentaar van hem, ik krijg er een sik van! Dat snap je toch ook wel!
-     (E2) Ik heb een tip voor je. Waarom doe je niet waar je goed in bent. Je kunt als geen ander de buurt terroriseren. Ga dat doen! Vergeet niet dat de buurt van ons is! Geef die duif en zijn kornuiten geen kans om te hergroeperen! Weg met dat pietepeuterige mussengehup!
-      (E1) Nee joh, daar heb ik helemaal geen zin in. Laat me maar even.
-      (E2) Ik leef met je mee, bro. Ik zie dat je je best doet. Zeker bruikbaar, maar je best doen is niet altijd voldoende. Besef je wel dat je het niet altijd goed kan doen? De een wil meer dit en de ander minder dat. Je kunt er geen pijl op trekken. Dus ik zeg, houd je eigen koers. Ondanks alle gekoerewiet van die bolle.
-      (E1) Ik laat me echt niet uit het lood slaan! Wat denkt hij wel?!
-      (E2) Weet je, ik word een beetje bang van je wanneer je zo boos bent. Blijft dat zo of gaan we weer normaal doen?

Een jongetje van zes keek in de verte en zag twee eksters de lucht in vliegen. Even de veren strekken.

Ik woonde ooit met mijn familie boven een slagerij. Mijn vader werkte daar als slager. Niet als timmerman, dat zou raar zijn. Op een dag waarop mijn vader niet aanwezig was kregen we een brief in de brievenbus die eigenlijk voor de baas van de slagerij bestemd was. Misschien had mijn vader een snipperdag opgenomen en zwierf hij rond op zoek naar vertier.

Mijn moeder was druk met van alles en nog wat en vroeg me (ik was zes jaar oud) om de brief naar beneden te brengen. Ik moest hem beleefd aan de baas geven. Dat vond ik reuze spannend. Als eerste moest ik met de brief in de hand de steile trap af naar beneden. Beneden aangekomen moest ik door de deur de winkel in. Ik moest op de baas aflopen en hem de brief aanreiken. Ik had geoefend op de zin: ‘Deze brief is voor u.’ De trap was ik gewend, maar de deur openen en de winkel ingaan? Ik vond het nogal wat.

Ik liep naar beneden en voelde mijn hart in mijn keel kloppen. Rechtop staand voor de dichte deur kreeg ik een lumineus idee. Misschien laf, maar misschien zou het kunnen werken. Ik besloot om de brief onder de deur door te schuiven.

Met een zwaai ging de deur open. De baas zag wat ik aan het doen was. Hij deed een stap in mijn richting en gaf me met zijn sterke slagershand een dreun op mijn hoofd. Ik rende huilend naar boven.

Die avond hoorde mijn vader wat er was gebeurd. Hij was in staat om de baas aan het langste en scherpste mes te rijgen, zo kwaad was hij. Gelukkig voor zowel mijn vader als voor de baas was de baas in geen velde of wegen te bekennen. Hoe het de volgende dag tussen mijn vader en de baas is gegaan, heb ik niet meegekregen. Niet veel later heeft mijn vader ontslag genomen en zijn we verhuisd.

Dit voorval uit mijn jeugd staat voor mij symbool voor al die keren dat goede bedoelingen niet voldoende bleken te zijn. Maar ondanks het gevoel onheus behandeld te zijn, pak je je pijnlijke hoofd bij elkaar en ga je onverdroten verder. Je best doen. Als kind van zes, maar ook nu als noeste stukjesschrijver. Wat moet je anders? Zoals een therapeut me ooit eens zei: ‘Niets doen kan altijd nog’.

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus