F. Raar
Ik was weer eens in het Wilhelminapark. Het is een klein, maar
aangenaam park. Ik kom er langs op weg naar Rhijnauwen. Normaliter geniet ik
van de bomen in het park, van de rust die daar heerst en van de zich onbespied
wanende medemens.
Het Wilhelminapark, ook wel bekend van de uitdrukking: ‘Ik
woon aan het Wilhelminapark’. De woningen rond het park zijn voor de meeste
mensen echter onbetaalbaar. Toch ken ik er een paar die die zin zonder blikken
of blozen mogen uitspreken. Ik denk wel eens: ‘Ik ben toch ook een hardwerkende
Nederlander! Waarom woon ík daar niet!’ Voor de een is wonen aan of bij het
Wilhelminapark heel vanzelfsprekend, terwijl de ander er alleen maar van kan
dromen. Dat vind ik niet alleen oneerlijk, maar het is ook heel erg raar!
Vandaag werd mijn aandacht getrokken door een vreemd
tafereel. Ik stond stil bij het vijvertje midden in het park en zag een vrouw een knobbelzwaan
aaien. Voor mij zijn knobbelzwanen gevaarlijke dieren die met hun vleugels een
mens in één klap vleugellam kunnen slaan. Het was een vreemd gezicht. Ik wil
eigenlijk raar zeggen, maar dat past niet bij mijn voornemen alles wat zich
aandient voor lief te nemen. Maar raar, dat was het. De zwaan strekte zijn hals
en de vrouw streelde hem alsof het geen stevige zwanenhals was, maar een lief
klein pluizig schoothondje.
Zouden ze elkaar soms kennen? Had de vrouw misschien voor
het dier gezorgd toen het gewond was of honger had? In ieder geval was te zien
dat de twee het goed met elkaar konden vinden. Ik voelde een jaloerse energie
opkomen. Nee, dacht ik, de dingen moet je nemen zoals ze zich aandienen. Dat blijkt
nog niet zo eenvoudig. Ik vind al snel iets raar. In dit geval, de jaloers makende
variant van raar.
Even verderop kwam ik een man in werkkleding tegen met een
koptelefoon op zijn hoofd. Hij stond de hoge wildgroei te zagen, te kappen en
te knippen, horizontaal en verticaal. Kortom, de man was aan het snoeien. De
hoge stengels die hij had geveld waren bovenop hem gevallen. Het leek daardoor net
alsof de natuur hem ook het zwijgen probeerde op te leggen.
Misschien is het een aardig idee om later eens uit te werken.
De mens die het initiatief neemt om de wereld naar zijn hand te zetten, maar daaraan
hopeloos te gronde gaat. Dat soort tegenstellingen of schijnbare
tegenstellingen geven het verhaal een zekere spanning. Dat is de tragiek van de
paradox: het goed willen doen, maar desondanks ruim baan geven aan de wraakgevoelens
van de hierdoor ontwaakte natuur.
Ik had me goed ingepakt tegen de kou; de temperatuur lag rond
het vriespunt. Er waaide een gure wind, waardoor de gevoelstemperatuur zo laag
was dat er van een gevoel in armen en benen geen sprake meer was. Kortom, het
was stervenskoud. Zeker wanneer je open en bloot rondrijdt in een scootmobiel.
Er kwam een vrouw naar me toe met zwarte panty’s onder een
korte broek, een combinatie die direct mijn aandacht opeiste. Ze kwam gelopen van
de begraafplaats St. Barbara, een oase van rust en herinnering. Misschien was haar
kledingkeuze gebaseerd op wat zij passend vond voor een begrafenisbezoek. Zwarte
panty’s staan gedistingeerd, maar zijn veel te koud voor de tijd van het jaar.
Daarom koos ze natuurlijk voor die korte broek. Hierdoor ontstond er een
combinatie van gedistingeerd zwart én toch niet al te koud. Maar wat weet ik
ervan.
Ik dacht nog: ‘Met panty’s op een scootmobiel, ik moet er
niet aan denken’. Maar waar die rare gedachte nou opeens vandaan kwam? Al sla
je me dood.
Gisteravond zag ik ook iets raars. Ik was op weg om naar bed
te gaan. De lichten in de woonkamer waren al gedoofd. Het was pikkedonker. Ik
weet niet waarom, maar ik keek nog even om naar de tuin. Tot mijn schrik zag ik
in de tuin van de buren, vlak achter de schutting, in het donker een hoofd
lopen. Gelijk dacht ik aan een insluiper. De energie om alarm te slaan zwol aan
van een kabbelend beekje tot een razende tsunami. Toen gebeurde er iets raars.
Het hoofd leek een sprong te maken en veranderde in een zwarte kat. Alsof er
niets aan de hand was liep de kat eigenwijs over de rand van de schutting om
daarna te verdwijnen in de duisternis. Daar stond ik dan, het hart bonzend in de
keel. Ik troostte me met de gedachte dat mijn ongerustheid voortkwam uit onschuld
en louter goede bedoelingen. Het had immers een insluiper kúnnen zijn.
Gistermiddag zag ik nóg iets raars. Ik woon tegenover een
lagere school. Gewoonlijk gebeurt daar van alles, maar gisteren werd er toch geschiedenis
geschreven. Alle kinderen stonden op de tafeltjes en begonnen te springen en te
dansen. Niet eventjes, maar al gauw een kwartier lang. Dat vind ik niet alleen
opvallend, maar het is ook raar.
Nee, met dat voornemen van mij om de wereld onbevooroordeeld
tegemoet te treden gaat het nog niet zo lekker. Maar misschien is dat ook niet
zo gek. Zeg nou zelf, wie kan dat wel?
Een nabrander. Ik vind het raar (en verontrustend) dat er in
Nederland anno 2025 een praktijk bestaat waarbij demonen worden uitgedreven en dat
daar wettelijk niets tegen te doen valt.
Er was geen meerderheid in de Tweede Kamer voor het
wetsvoorstel (met dank aan NSC en CDA) om de zogenaamde conversietherapie
(mentale castratie voor homoseksuelen en transgenders) strafbaar te stellen. Dat
is niet alleen raar, maar het verdient jouw stem om je hier tegen te verzetten.
Eén uitzondering op de regel moet toch kunnen. Dat is naar mijn bescheiden
mening niet te veel gevraagd. Dat heet beschaving.

Reacties
Een reactie posten