F. Apofenie


Ik lag vanmorgen vroeg op bed. Het was nog donker en ik leefde in de veronderstelling de hele dag voor mezelf te hebben. Mijn arm hengelde buiten boord op zoek naar mijn mobiele telefoon. Tot mijn schrik zag ik een afspraak oplichten die ik eerder deze week had gemaakt met de monteur van mijn traplift.  De afspraak was gepland van 08:00 tot 12:00 uur. Ik wierp een snelle blik op de klok. Ik moest in een kwartier uit bed zien te komen, me aankleden, me in de handrolstoel hijsen en via de traplift naar beneden sukkelen. Ik voelde de Olympiër in me wakker worden. Het is me gelukt om het parcours in 00:13:12 af te leggen, een nieuw persoonlijk record.

Om 09:00 uur stapte er een man van 2 meter mijn huis binnen. Door zijn lengte kwam hij oog in oog te staan met de hoedenplank van de kapstok, dus een waarschuwing was wel op zijn plaats. 
Het was een lange, dunne man met een scherpe blik. Ik zou zelfs het woord schrander of intelligent in de mond willen nemen. Na wat sociale plichtplegingen over en weer wilde ik hem iets vragen. 
Ik begon met een compliment. Wanneer je iemand voor je karretje wilt spannen, zul je eerst wat honing om de mond moeten smeren. 

‘U bent naar ik aanneem goed in technische aangelegenheden?’ Ik vond dat een goed begin. 
‘Wilt u eens naar mijn koffiezetapparaat kijken? Er gebeuren de laatste tijd rare dingen. Ik zie dat het aan/uit-knopje op ‘aan’ staat, maar het apparaat staat vreemd genoeg ‘uit’. Dat kun je zien aan het ‘aan’-lampje. Die brandt niet. Het 
aan/uit-knopje is vanzelf van de ‘uit’-stand in de 'aan'-stand geschoten, zonder dat het 'aan'-lampje gaat branden. Het apparaat staat volgens het aan/uit-knopje ‘aan’ maar is toch echt ‘uit’. 

De man keek me onderzoekend aan en liep zwijgend naar het blijkbaar zelfsturende stukje techniek. 

'Ik weet zeker dat ik iedere keer na het inschenken van de koffie het 
aan/uit-knopje omhoog heb geduwd. Wanneer je zoiets vergeet dan ruik je dat al snel.  Verbrande koffie verspreidt een nare penetrante geur.'

Omdat hij het ook niet wist, opperde ik als goedgelovige fantast de aanwezigheid van klopgeesten.
 
'Misschien is het een overleden dierbare, die vanuit het ijle hiernamaals een stevig signaal wil afgeven.' 

Ik zei het voor de grap, maar voelde diep van binnen de beklemming van wat zich op dat moment aan ons wou openbaren. De suggestie wees in de richting van een duistere verboden wereld.

Om alle geesten te verjagen die op dat moment door de kamer zweefden, begon ik te vertellen over een film waarin een echtgenoot bewust speelt met de foutieve interpretaties van zijn vrouw. 
Iedere keer wanneer hij zogenaamd de deur uit ging, draaide hij het gaslicht in de kelder omhoog waardoor het licht in de andere kamers begon te flikkeren en in kracht afnam. Ze werd er erg onzeker van. Ze vermoedde dat er iets mis was met haar ogen. De duivelse echtgenoot diepte de onzekerheid nog wat verder uit door haar ervan te overtuigen dat ze gek was geworden. Ze werd zo aan het twijfelen gebracht, dat ze haar eigen waarnemingen niet meer vertrouwde.

Zo’n manipulatief patroon kan iemand erg onzeker en afhankelijk maken. 
De schrandere liftmonteur kwam spontaan op het woord ‘gaslighting’.  En inderdaad, na wat googelen, bleek dat het woord een rechtstreekse relatie had met de door mij aangehaalde anekdote uit de film ‘Gaslight’, een zwart/wit-film uit 1940, op YouTube vrijelijk beschikbaar.
Er zijn sindsdien vele versies van de film uitgebracht, met als beroemdste kloon, de versie uit 1944, met Ingrid Bergman in de hoofdrol.  

Er is in de mens een onbedwingbare neiging om zaken met elkaar in verband te brengen. Hierdoor kunnen fouten ontstaan. In de meeste gevallen gaat dat onbewust en onbedoeld, niet zoals in het hierboven geschetste boosaardige ‘Gaslight’ filmscenario. 

Er is zelfs een term voor: ‘Apofenie’. 
'Apofenie is de menselijke neiging om patronen of betekenissen te zien in willekeurige gegevens.'


De liftmonteur vertelde dat hij zes maanden geleden gestopt was als leraar scheikunde. Na een intensieve periode, waarin én zijn vader was overleden én een leerling zelfmoord had gepleegd, had hij zijn knopen geteld en gekozen voor een meer praktisch beroep. Als leraar scheikunde met twee universitaire mastertitels op zak stond hij op school volgens eigen zeggen hoog in de pikorde. Hij voelde zich tegenwoordig op de trede staan waar je eerder een conciërge zou verwachten, maar daar had hij maling aan. 
Ik had het met mijn schrandere blik al bij binnenkomst gezien. De man had meer in zijn mars dan het aandraaien van wat onbenullige bouten en schroeven. De rode overall zou je wellicht op het verkeerde been kunnen zetten.

Door zijn openheid aangemoedigd begon ik te vertellen over mijn lessen in onderdanigheid. In een rolstoel voel je je in eerste instantie buitenspel gezet. Je doet niet meer mee en denkt dat anderen daar ook zo over denken. Je meent in hun ogen zelfs medelijden te zien. Tel daarbij op het gedrag waaruit je kunt opmaken dat ze niets met je te maken willen hebben. 
En dat gebeurt dus allemaal onder de motorkap van mijn Apofenische hoofd. Het duurde even voordat ik me daar ten volle bewust van was. 
Ik herken tegenwoordig op een kilometer afstand de nogal hardnekkige neiging tot misinterpretatie. Na de innerlijke toespraak met als olijke titel: ‘Soep is niet te heet wanneer hij niet gegeten wordt’, buigt mijn 
deemoedige ziel zich met gevouwen handen voorover om daarna weer gezellig in te dalen in mijn oude vertrouwde zelf.

Goed om te weten dat ik niet de enige ben die verkeerde conclusies trekt. Dat daar zelfs een woord voor is: ‘Apofenie’!  
Een mooi woord, maar vervelend is het wel.
 

Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus