F. Een dagje Amsterdam


Stel je eens voor. Het is vroeg in de ochtend. Je zit in de trein van Utrecht naar Amsterdam. Het belooft een stralende zomerdag te worden. Je hebt zin in een bezoek aan het Stedelijk Museum. Vroeger, in de jaren tachtig, kwam je er vaak. Of beter gezegd, je was er kind aan huis.

Ik herinner me prachtige schilderijententoonstellingen. De afscheidstentoonstelling ‘La grande Parade’ van museumdirecteur Edy de Wilde bijvoorbeeld, maar vlak ook de overzichtstentoonstelling van onze eigen Karel Appel niet uit!

Maar de dierbaarste herinnering kleeft toch aan de expositie van de in Nederland geboren Amerikaanse schilder Willem de Kooning. Schilderijen in een helder zacht licht.

Het Stedelijk Museum in Amsterdam is een oase van rust en bezinning. Wanneer er een monniksorde zou bestaan die zich toelegt op bezoekjes aan het Stedelijk Museum dan zou ik geen seconde twijfelen en vandaag nog willen intreden.  

Maar zover is het nog niet. Ik zit in de trein. Vanuit de stiltecoupé kijk ik uit over de velden en zie in de vroege nevel koeien grazen. Zo’n enorm stuk weidelandschap tot je beschikking hebben en dan met zijn allen toch op een kuddekluitje blijven staan. Maar ja, ik ben geen koe en weet niet hoe het voelt met al die warme zwart wit gevlekte lijven om je heen.



Om bij het museum te komen moet je op het Centraal Station overstappen op tramlijn 2. Die brengt je, al heen en weer schuddend, richting de Van Baerlestraat, de straat waar vroeger de ingang van het museum te vinden was. Na de immense verbouwing is het mijn museum niet meer. Ik merk op dat ik een persoon ben die heerlijk mijmerend in het oude, vertrouwde wil blijven hangen, de tijd waarin nog echte museumdirecteuren het voor het zeggen hadden.

Vanuit de tram heb je een goed zicht op het Amsterdamse stadsleven. Bij het Centraal Station vind je nog steeds de van plezier uit elkaar ploffende rondvaartboten. De tram sleept je langs het Betty Asfaltcomplex, stopt even bij het Spui (boekhandel Athenaeum, café Hoppe) om vervolgens via de Leidsestraat bij het Leidseplein aan te komen. Je bent er bijna.

Overal om je heen zie je vrolijk ogende dagjesmensen. Je ziet en hoort artiesten die hun kunstjes vertonen, met in het midden een nog lege smeekbeker. De Nederlandse taal is er nog net niet in de minderheid.

Door de open deur van de tram klinkt het geluid van alweer een volgende tram, een tram die het ruime sop van de tegenovergestelde richting heeft gekozen. Het in de bocht snerpende tramgeluid vermengd zich met het gekrijs van een zwerm zeemeeuwen die zich tegoed doen aan een op de grond gesmeten patatje oorlog. In de verte hoor je het hysterische geloei van alweer de zoveelste politiesirene. Overal zijn de straten opengebroken.

Misschien ga je na je bezoek aan het museum nog wat doelloos rondlummelen in het Vondelpark. Laat in de middag, eten op het terras. Je smult de oren van het lijf en je voelt je voor even samen met de warme lijven van de stad Amsterdam, de mensen om je heen, een spannend boek en een overheerlijke cappuccino. Om daarna, moe en voldaan, weer op huis aan te gaan.

Het is een dagje Amsterdam, voor zover ik me dat herinneren kan.

 


Reacties

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus