L. Rokjesdag
Ik weet niet eens meer waar de cursus nu precies over ging. Wel weet ik dat ik
me irriteerde aan een medecursist die zich zelf geweldig vond en steeds het
hoogste woord had. Ongetwijfeld zal ik daar een cynische opmerking over gemaakt
hebben, ik kan het me niet herinneren.
Op een bepaald moment moesten we een opdracht doen. De opdracht was om in
tweetallen tegenover elkaar te gaan staan. De een moest dan wat doen of
uitbeelden en de ander uitnodigen om daar dan in mee te gaan. Wat het nut van
de opdracht was, dat weet ik ook niet meer.
Ik kwam uitgerekend tegenover de irritante cursist te staan en ik moest zonder
te praten iets doen waarin hij dan mee zou gaan. Ik pakte twee stoelen, zette
deze naast elkaar en ging op een van de stoelen zitten. Ik maakte een
uitnodigend gebaar naar mijn medecursist om op de stoel naast me te gaan
zitten. Hij bleef staan. Ik herhaalde het uitnodigende gebaar, maar opnieuw
geen reactie. Ik stond op en zette de stoelen weer weg. Vervolgens ging ik
tegenover hem staan en stak mijn hand uit zodat hij deze kon schudden. Hij
bleef staan met de handen naast zijn lichaam. Ik begreep dat, wat ik ook zou
doen, er geen meewerkende reactie zou komen van deze irritante cursist.
In de nabespreking was het volgens de irritante cursist ook allemaal mijn
schuld. Ik had hem uitgenodigd om op een stoel te gaan zitten, maar het was hem
volstrekt niet duidelijk wat daar de reden van was. Het kon wel een elektrische
stoel zijn. En ook toen ik hem een hand wilde geven ging hij daar niet op in.
Hij was absoluut niet overtuigd van mijn goede bedoelingen.
De opdracht ging door in andere tweetallen. Ik kwam nu tegenover een vrouw te
staan. Ik maakte een hoffelijke buiging met een zwierig gebaar van mijn arm. De
vrouw bleef staan. Ik strekte mijn arm naar haar uit met de handpalm naar boven
als vroeg ik haar ten dans en herhaalde mijn zwierige buiging. De vrouw bleef
opnieuw staan.
Ik werd het nu wel zat. Ik zei dat ik er mee stopte en ging op mijn plaats
zitten.
In de nabespreking nam de irritante cursist het woord en zei dat hij het vanzelfsprekend
vond dat de vrouw niet op mijn uitnodiging inging. Hijzelf zou nooit een vrouw
vragen om zich naar hem toe voorover te buigen, want daarmee moest ze dan haar
decolleté laten zien. Eigenlijk vond hij het een onbeschofte actie van me.
Ik was totaal verbijsterd, want het zien van een decolleté was op dat moment
wel het laatste waar ik aan dacht. Ik keek naar de vrouw en zag dat ze een
coltrui aan had (het was winter) en hoe ze ook zou buigen of in welke bocht ze
zich zou wringen, haar decolleté zou een goed beschermd geheim blijven.
Ik vroeg aan de groep of meer mensen er zo over dachten en twee mensen staken
vervolgens hun vinger op.
‘Kijk eens goed’, zei ik vervolgens, ‘met die trui is er geen decolleté te
zien.
De decolleté zit niet in mijn hoofd, maar in jullie vunzige hoofden.’
Vervolgens pakte ik mijn papieren bij elkaar en verliet de
ruimte. Punt gemaakt.
Ik moest daaraan denken toen ik een artikel in de krant las
over ‘rokjesdag’.
Rokjesdag is de eerste zonnige en warme dag van de lente en op die dag trekken
veel vrouwen voor het eerst weer een rok aan, met daaronder blote benen.
Martin Bril, columnist in Het Parool, beschreef dat en ‘rokjesdag’ werd een
fenomeen dat zelfs de Dikke van Dale haalde.
In het huidige zedelijke normbesef is ‘rokjesdag’ uiteraard
volkomen ‘not done’.
Martin Bril heeft dan ook de nodige kritiek over zich heen gehad. Zo schreef de
columniste Jantien de Boer in de Leeuwarder Courant dat ze ‘het benauwd kreeg
bij het beeld van ‘Martin Bril in een stoel en ik die er dan langs moest lopen’.
Martin Bril werd ook hypocrisie verweten. De rokjesdag was ‘slechts een excuus
om
-ware het een premature pinksterdag- de hitsige en heilige testosteron over
onze onschuldige krantje lezende hoofden uit te storten’.
Het opmerkelijke is dat Martin Bril het zelf niet zo bedoeld
had. Het wonder van ‘rokjesdag’ was voor hem dat vrouwen op de bewuste dag
massaal een rok gingen dragen en dat zij daarover van tevoren geen overleg
hadden gevoerd. Er was ook geen oproep op de televisie geweest of een
radiobericht. Het was gewoon een gevoel dat vrouwen kennelijk massaal hadden en
vervolgens uitvoerden.
Dat fenomeen beschreef hij en daarbij was er geen achterliggende geile gedachte.
De achterliggende geile gedachte zat niet in zijn hoofd, maar in de
hoofden van zijn kritikasters.
Martin Bril is overleden. Als hij nog leefde dan had hij, wat mij betreft, zijn papieren bij elkaar mogen pakken en de ruimte mogen verlaten.

Reacties
Een reactie posten