F. De tovertuin


In mijn achtertuin staat een kersenboom. Het hele jaar door doet de boom verwoede pogingen om mijn aandacht op te eisen. Dat dit tevergeefs is, ligt niet aan de boom.

Het is een uit de kluiten gewassen kersenboom die keurig het plan volgt dat voor hem is uitgestippeld. Geen kwaad woord daarover, maar het luikje in mijn hersenen om het met een meer dan gewone belangstelling gade te slaan blijft gesloten. Jammer, maar helaas. Ik sta er niet voor open. Tot afgelopen zaterdag.

Het was twee uur in de middag en ik wachtte op de regiotaxi die me naar een klassiek concert in de Geertekerk in Utrecht zou brengen. Liefst op tijd. Ik begon me een beetje zorgen te maken. Ik had de duur van de tocht ruim bemeten, maar dan moest die verdomde taxi wel op tijd zijn. In mijn zenuwen wierp ik een blik op de tuin. Mijn mond viel open. Aan de takken van de kersenboom hing een uitbundig uit zijn witte bloesem knallende symfonie, speciaal voor mij uit de hemel neergedaald. De luikjes in mijn hersenen werden er spontaan door geopend. Ik wilde knielen, maar mijn lijf weigerde dienst.

De taxi kwam. Een norse taxichauffeur rolde mijn rolstoel de laadplank van de taxi op. Ik zei dat ik haast had. Ik moest naar een concert en wilde daar niet te laat aankomen. De man deed een stap naar achteren en nam een soort gevechtshouding aan. ‘Die toon van jou bevalt me helemaal niet. Ik ben ook maar door de centrale opgepiept. Ik doe normaal mijn werk en wil niet opgejaagd worden. Dus wel een beetje normaal blijven doen!’ Ik schrok van zijn reactie en zei verontschuldigend dat ik het niet zo bedoeld had. Ik probeerde het dwingende karakter van mijn woorden wat te verzachten.  ‘Mooi weertje hè?’

We kwamen gelukkig op tijd aan bij de Geertekerk. ‘Ze staan buiten al op u te wachten.’ Ik keek naar de ingang van de kerk en zag een groepje van vijftien buiten in de zon staan. Zoonlief nam het van de chauffeur over en ik begroette een vriendin die samen bleek te zijn met een een vrouw die ik nog kende van een tuinfeest van jaren geleden. We liepen gezamenlijk de kerk binnen. Bij de ingang kregen we een token in handen geduwd. Die kon je na afloop inwisselen voor een lekker drankje. Voor de grote dorst kon er gepind worden.

We kregen goede plaatsen toebedeeld, vooraan, dichtbij het orkest. De uitnodiging om het concert bij te wonen kwam van een dierbare vriend, die volgens het boekje onderdeel uitmaakte van de eerste vioolsectie. Ik had hem nog nooit met een viool in de weer gezien, dus ik was benieuwd naar zijn optreden.  
Voor mij was dit de tweede keer. In mijn dagelijkse leven maak ik er geen gewoonte van om naar klassieke muziek te luisteren. Ik heb meer met jankende gitaren. Ik weet wel dat klassieke muziek en religieuze beleving twee verschillende dingen zijn, maar op de een of andere manier worden in mijn wezen beide luikjes tegelijkertijd geopend. De afstand die ik voel tot kerkelijke aangelegenheden sleept in zijn kielzog het hele klassieke repertoire met zich mee. Volkomen onterecht natuurlijk. Maar wat doe je eraan. Ook ik heb mijn wonden te likken van een naar het hemelse gericht opziende opvoeding.




De dirigent nam het woord over van de stilte en liet zijn licht schijnen over mijn onwetende muzikale werkelijkheid, waarin werken van Schubert, Respighi en Beethoven wel bestaansrecht hebben, maar zich niet mogen verheugen in een warm weerzien van twee oude vrienden.

Maar toen nam de dirigent opeens het woord “Tovertuin” in de mond. In mijn hoofd gingen er diverse luikjes open. Ook luikjes die al jaren dichtgetimmerd zaten. Volgens zijn zeggen kun je in muziek van de tovertuin allerlei planten en dieren voorbij horen komen. Lieve heldere, maar ook donkere en gemeen grommende creaturen. Ik was in één klap klaarwakker.

De eer om het bal te openen was gevallen op een stuk van Schubert. De muziek bracht me met vaste hand op een plek waar vriendelijkheid en zachtheid het voor het zeggen hadden.

Daarna stapte er een in het rood gestoken Russisch/Nederlandse dame het toneel op. Er werd van tevoren veelbelovend over gesproken en reikhalzend naar uitgekeken. Het was het moment waarop jarenlange oefening en talent bij elkaar zouden komen. Ze had de snaren van haar cello nog maar net aangeraakt of daar ging ik al. De poorten van de tovertuin werden wijd opengezet, met aan weerszijde twee enorme bloeiende kersenbomen. En toen moest het geweld van de 4e symfonie van Beethoven nog komen.

Met een flesje cola in de hand kwam ik tijdens de nazit weer tot rust. Met de komst van de stilte werd de tovertuin gesloten. Er was geen spoor meer van bloesem te bekennen of van welke kersenboom dan ook.

Op de terugweg had ik een Chinese man als chauffeur. Het was een man van een jaar of 50 die helemaal geen woord zei. Misschien was de goede man ook wel ergens van onder de indruk. Misschien was hij wel opa geworden. Dan doet het op tijd of te laat zijn er niet meer toe, laat staan een dromer die nog vol is van een tovertuin waarin bloeiende kersenbomen staan. Eentje die in de verte nog wegebbende hemelse klanken meent te horen.    

 

Reacties

  1. Treffend beschreven, klassieke muziek kan gelukkig ook, wellicht maar even, betoveren, evenals jankende gitaren

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

L. Selena

F. Op weg naar de berg Olympus