F. Op weg naar de berg Olympus
Sommige dingen weet je gewoon.
Ik had me gewassen, geschoren en mijn tanden gepoetst. De
aandrang om op reis te gaan kwam van diep van binnenuit. Er was geen sprake van
concrete woorden, noch een duidelijke stem. Het was een besef, waarin geen
andere keuze overbleef.
Ik was vroeg opgestaan, dus tijd genoeg om op het station wat eten en drinken in te slaan. In de haast was ik thuis vergeten om de krant
mee te nemen. Met een creditcard op zak stapte ik monter de bus in. Snel hoeft
het wat mij betreft niet te gaan als het me maar richting het Centraal Station van
Utrecht brengt.
Er was op dat moment nog geen sprake van onenigheid tussen mij en het Olympisch gezag. In de verte zag ik een opvliegende witte zwaan. Mijn innerlijk weten had het bij het juiste eind gehad. De natuur, de zon, de blauwe lucht en de witte wolken voelden aan als een bemoedigend klopje op de schouder. Het is nergens voor nodig om je waar dan ook zorgen over te maken. Ik kon me verlaten op mijn innerlijke stem, die helemaal geen stem was, nog woorden kende.
Ik had vanochtend mijn licht er eens over laten schijnen. Wat moet ik me toch voorstellen bij zoiets als ‘Totale vernietiging’? Waarom moest nu uitgerekend ik daar verslag van doen? Wat willen ze van me? Maak ikzelf dan geen deel uit van het totaal? Moest ik verslag doen van iets waar ikzelf aan ten gronde zou gaan? Ik vond het maar een vreemde zaak.
Het verzoek om de totale destructie in
kaart te brengen, ademde een zekere onzekerheid uit. Voor wie zal zo’n verslag nuttig kunnen zijn? Alles wat ademt heeft zijn laatste adem uitgeblazen. Het is over
en uit. Er is niemand meer om het dystopische werkje in ontvangst te nemen. Het heeft wat dat betreft ook geen zin meer om allerlei kritische vragen te stellen. Dat
slaat gewoon helemaal nergens op.
Zou het soms ook hun eigen Grieks-goddelijke einde betekenen? Immers
totaal is totaal, zonder mitsen en maren. Je kunt er gerust vanuit gaan dat ook
zij het voor gezien zullen houden.
Ik kocht op het station een bekertje met warme koffie, een grote fles met water, wat beleg en witte bolletjes en een krant. Geen bericht over een op handen zijnde ondergang. Het gewone wereldnieuws voelde aan als een jeukende knie waar je tijdens een val van een hoge rots aan wilt krabben. Vervreemdende prioriteitstelling. Het beeld van een steile rots af kletterende man vond ik goed getroffen, temeer omdat het treffend weergaf in welke stemming ik op dat moment verkeerde.
Eenmaal in de trein keek ik naar de mensen om me heen. Ik was benieuwd of er nog meer schrijvers in de trein zaten. Ik ben echt niet de enige schrijver in de wereld. Dat te denken zou getuigen van hoogmoed. Daar in de hoek zie ik iemand een dik boek lezen. Dat zou heel goed een schrijver kunnen zijn. Schuin achter me lag iemand te slapen. Zijn ogen waren gesloten en zijn mond stond onappetijtelijk ver open. Dat leek me ook een goede kandidaat.
Zouden ze op de Griekse berg Olympus nog steeds geregeld bij elkaar
komen? Het wordt niet voor niets het ‘Huis van de goden’ genoemd. Ik ben nog
nooit een Griekse God tegen het lijf gelopen, dus van enige herkenning zal geen sprake zijn. Ik gok op Korintische zuilen, toga’s en lange witte baarden.
Waarom moest ik daar fysiek aanwezig zijn? Etherische entiteiten bestaan los van tijd en plaats. Die kunnen afspraken maken met wie ze maar willen, waar en wanneer dan ook.
Ik pakte een achtergelaten boek van de hoedenplank en begon
te lezen. Voor ik er erg in had stonden we al op een station in Zwitserland. Ook hier zijn hoge
bergen, dus waarom dan niet hier afgesproken?
Ik weet niet wat me opeens bezielde, maar overweldigd door de
schoonheid van de bergen sprong ik uit de trein het perron op. Mijn hart klopte in mijn keel.
Nog nooit had ik geweigerd om te doen wat er van me verlangd werd.
Het was hard gaan regenen. Met dikke druppels kwam het naar beneden. Ik danste als een ware Gene Kelly met mijn keurig gepoetste schoenen door de donkere plassen. In het aangezicht van de
totale vernietiging kan echt niets me meer raken. Een nat pak? Een nat en koud lijf? Een keffende hond? Ik zeg kom maar op! Mij maak je niet gek! Daar lach ik om! Achter in mijn
hoofd voelde ik een boosaardige verontwaardiging opkomen. Gewoon negeren, niet
op letten. Ik was vrij en voelde me als herboren.
Ik kocht in een winkel een houten wandelstok en een Zwitserse alpenhoed met daarop een witte Edelweiss geborduurd. Ik krabde wat aan mijn
jeukende knie en liep frank en vrij het majestueuze berglandschap tegemoet.
Reacties
Een reactie posten